Opening voor belasten werkelijk rendement in box 3

Het onderzoek naar het belasten van het werkelijke rendement in box 3 van de inkomstenbelasting is klaar. Daaruit valt op te maken: er zijn goede aanknopingspunten voor zo’n heffing, maar makkelijk wordt het niet. Als een volgend kabinet deze heffing wil opzetten, is er vooral bij de gegevensverzameling nog aardig wat werk te verzetten.

22 juni 2021 | Door redactie

In box 3 is het inkomen uit vermogen belast, zoals spaargeld en beleggingen. Op de heffing is al tijden veel kritiek. Eerst hanteerde de Belastingdienst nog een vast fictief rendement voor alle soorten vermogen, maar dat systeem is in 2017 aangepast. Sindsdien is er onderscheid tussen rendement op spaargeld en op beleggingen en moet de heffing beter aansluiten bij het ‘werkelijke’ rendement (artikel).

Meer gegevens nodig om heffing op te baseren

Uiteindelijk is de wens van de politiek om de daadwerkelijk behaalde rendementen te belasten in box 3. Maar voor zo’n heffing is het wel essentieel dat er ook genoeg gegevens zijn over die behaalde rendementen, want die heeft de Belastingdienst nu niet. Daarom is onderzocht of het mogelijk is om die gegevens te verzamelen. Dat onderzoek is nu klaar, zo meldt staatssecretaris Hans Vijlbrief van Financiën in een Kamerbrief (pdf).
De bewindsman ziet in het rapport ‘goede aanknopingspunten’ voor een volgend kabinet om een heffing op basis van een werkelijk rendement uit te werken. Het onderzoek laat zien dat het voor een deel van de vermogensbestanddelen goed mogelijk is om aan voldoende informatie te komen voor de heffing. Daarvoor moeten bijvoorbeeld banken en verzekeraars méér gegevens gaan aanleveren aan de Belastingdienst dan zij nu doen. Anderzijds is het voor bijvoorbeeld onroerende zaken lastig om aan voldoende gegevens te komen, waardoor de fiscus zal moeten varen op wat de belastingplichtige zelf aanlevert. Een optie is daarom onderscheid maken. Bij spaargeld en beleggingen, waar genoeg gegevens over zijn, wordt het werkelijke rendement belast. En bij bijvoorbeeld onroerende zaken zou dan een forfait blijven gelden. Maar Vijlbrief tekent daar bij aan dat dit het stelsel weer complexer maakt.

Tegenbewijsregeling juridisch niet houdbaar

Er is ook onderzoek gedaan naar het invoeren van een zogeheten tegenbewijsregeling voor belastingplichtigen die vooral spaargeld hebben in box 3. Op basis van zo’n regeling zouden zij kunnen aantonen dat de heffing te hoog is. Vijlbrief concludeert uit dit onderzoek dat een tegenbewijsregeling voor deze groep spaarders juridisch niet houdbaar is. Dat zou namelijk te veel ongelijkheid opleveren met andere belastingplichtigen. Vijlbrief adviseert een volgend kabinet daarom ‘geen stappen in deze richting te zetten’ en te focussen op het uitwerken van een heffing op basis van het werkelijke rendement.
Wel loopt nog steeds de procedure voor ‘massaal bezwaar’ tegen de box 3-heffing over 2020. Belastingplichtigen die hieraan willen deelnemen moeten individueel en op tijd bezwaar maken tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2020. Op tijd wil zeggen: binnen zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag. Hier vindt u een voorbeeldbrief van het bezwaar (tool).