VERDIEPINGSARTIKEL

De ‘nieuwe’ vermogensrendementsheffing vanaf 2021

Wie een uitgebreid nieuw wetsvoorstel over box 3 had verwacht op Prinsjesdag kwam bedrogen uit. Het beloofde voorstel behelst niet veel meer dan een verhoging van de vrijstelling en een aanpassing van het tarief en nog wat aanpassingen in verband met deze wijzigingen.

Is dit dan de juiste stap om de wens om de box 3-heffing beter aan te laten sluiten bij de werkelijke rendementen te vervullen en toe te werken naar het uiteindelijke doel; het werkelijke rendement belasten?


12 oktober 2020 5 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


De wens om de vermogensrendementsheffing beter aan te laten sluiten bij het werkelijke rendement leeft natuurlijk al een tijdje. Er zijn dan ook al wat stappen in deze richting gezet.

Het heffingvrije vermogen is inmiddels wat verhoogd. En vanaf 2017 is de box 3-heffing herzien. Het forfaitair rendement wordt vanaf dat jaar gebaseerd op indicatoren van in de markt gerealiseerde rendementen op spaargeld en beleggingen.

De verdeling van het vermogen in box 3 over spaargeld en overige bezittingen wordt bepaald aan de hand van de feitelijke gemiddelde verdeling over spaargeld en overige bezittingen (de vermogensmix) van alle belastingplichtigen. Deze rendementen actualiseert de overheid jaarlijks aan de hand van actuele beschikbare gegevens.

Toch vinden velen de heffing nog altijd te hoog want op een spaarrekening wordt geen rente meer ontvangen terwijl er forfaitair wel wordt aangenomen dat u iets ontvangt. Op 6 september 2019 heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën een nieuw voorstel gedaan tot de aanpassing van box 3.

In dit voorstel zou de fiscus moeten uitgaan van de werkelijke verhouding tussen spaargeld, beleggingen en schulden van de belastingplichtige. Er vond dus een splitsing plaats van de diverse vermogensbestanddelen.

De aanpassingen zijn wel erg summier.

Aansluiten bij de werkelijkheid

Dit betekende dat voor de bepaling of er belasting over spaargeld verschuldigd was er dus werd gekeken naar het totale bedrag aan spaargeld. Over dit bedrag zou een vooraf vastgestelde rente worden losgelaten die zoveel mogelijk moest aansluiten bij de werkelijkheid.

Bij een bedrag aan ontvangen rente onder de € 400 op spaargeld zou er geen box 3-heffing verschuldigd zijn. De vrijstelling was dan € 440.000. Boven het bedrag van de vrijstelling zou het tarief 33% moeten gaan bedragen. Dit tarief ging ook voor de andere vermogensbestanddelen gelden.

Dit voorstel zou de spaarders tegemoetkomen, maar tegelijkertijd zouden andere belastingplichtigen door dit voorstel zwaarder worden belast. Voor mensen waarvan het vermogen in box 3 voor een relatief klein deel uit spaargeld bestaat, zou de belastingdruk flink stijgen ten opzichte van de huidige situatie. Dit voorstel zou daarom andere groepen dan spaarders benadelen.

Staatssecretaris Vijlbrief van Financiën beloofde eind juli dat er op Prinsjesdag een nieuw voorstel voor box 3 zou liggen omdat het oude voorstel dus tot te veel juridische problemen zou leiden. Het voorstel is er inderdaad op het beloofde tijdstip gekomen maar de aanpassingen zijn wel erg summier.

In het voorstel is opgenomen dat de vrijstelling naar € 50.000 (voor partners € 100.000) gaat. Door de verhoging van de vrijstelling daalt het aantal belastingplichtigen dat belasting betaalt over inkomen in box 3 met ongeveer 900.000 (van 3 miljoen naar 2,1 miljoen). Om dit gat qua opbrengsten deels te dekken is daarom besloten om het belastingtarief in box 3 te verhogen naar 31% (is nu 30%).

De schijven ondergaan ook een aanpassing. De eerste schijf loopt volgend jaar van € 0 tot € 50.000, de tweede van € 50.000 tot € 950.000 en de derde is alles boven de € 950.000.

Aanpassing heeft gevolgen voor groene beleggingen

De aanpassing van box 3 heeft wel gevolgen voor belastingplichtigen met groene beleggingen. Zo’n 10% van de belastingplichtigen met groene beleggingen heeft namelijk inclusief deze groene beleggingen een box 3-vermogen onder de € 50.000.

Voor hen neemt het voordeel van de regeling groene beleggingen af. Zij betalen geen box 3-belasting meer waardoor zij ook geen fiscaal voordeel van de vrijstelling voor groene beleggingen meer hebben. Zij hebben nog wel het voordeel van de heffingskorting voor groene beleggingen.

Voordeel
Voor de resterende 90% in het bezit van groene beleggingen die een totaal vermogen boven de € 50.000 hebben, neemt het fiscale voordeel van de vrijstelling voor groene beleggingen toe door de verhoging van het tarief in box 3 naar 31%.

Mogelijk effect op toeslagen

Voor de inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen is de grondslag voor sparen en beleggen in box 3 van belang voor de vraag of men recht heeft op de regeling (via de vermogenstoets) en wordt aan de hand hiervan de hoogte bepaald van bijvoorbeeld een toeslag of een eigen bijdrage aan een zorginstelling.

De verhoging van de vrijstelling kan echter effect hebben op deze regelingen. In het wetsvoorstel zijn daarom maatregelen opgenomen die dit moeten voorkomen. Zonder deze aanpassingen zouden namelijk meer mensen in aanmerking komen voor een (hogere) inkomensafhankelijke tegemoetkoming. Maar hierdoor moeten belastingplichtigen met een vermogen van € 31.340 (per 2021) wel nog steeds aangifte IB over box 3 doen, ook al wordt het heffingsvrije vermogen verhoogd tot € 50.000.

Om dit weer te voorkomen, is in het wetsvoorstel opgenomen dat de inspecteur de taak krijgt om het bedrag van de rendementsgrondslag, als deze meer bedraagt dan € 31.340, vast te stellen in een beschikking die op de aanslag IB staat, ook in gevallen waarbij vermoedelijk geen belasting verschuldigd is. Om deze beschikking te kunnen afgeven, is een verstrekking van gegevens noodzakelijk.

Geen grondslag voor box 3 aanwezig, maar toch een aangifte invullen

Nu krijgen mensen alleen een aanslag waarop hun vermogen is vermeld als zij in het bezit zijn van box 3-vermogen boven de vrijstelling. Door de voorgestelde maatregelen uit dit wetsvoorstel wordt het vermogen ook vastgesteld als er geen grondslag sparen en beleggen is, maar wel een rendementsgrondslag is die hoger is dan € 31.340.

Belastingplichtigen met een vermogen tussen de € 31.340 en € 50.000 moeten dus aangifte IB doen over box 3 terwijl zij geen IB verschuldigd zijn over hun vermogen in box 3.

Vanaf 2021 krijgt dus iedereen met een vermogen in box 3 hoger dan € 31.340, een beschikking rendementsgrondslag vastgesteld.

Extern onderzoek rendementsheffing

Maar hoe staat het nu met het toewerken naar het belasten van het werkelijke rendement? Op dit moment wordt er een extern onderzoek voorbereid naar de praktische mogelijkheden voor een heffing die aansluit bij het werkelijke rendement van het vermogen.

Het kabinet wil de resultaten van dit onderzoek in het voorjaar van 2021 naar de Tweede Kamer toe kunnen sturen. Een van de aandachtspunten daarbij is hoe om te gaan met een toename van het vermogen.

Op Rendement Online kunt u berekenen hoeveel u aan box 3-heffing kwijt bent voor dit jaar.