VERDIEPINGSARTIKEL

Hoe staat het met de geldigheid van de vermogensrendementsheffing?

Het was de laatste tijd even rustig rondom de box 3-heffing maar de afgelopen weken zijn er een aantal uitspraken en een advies geweest die de moeite van het vermelden zeker waard zijn. Want de uitspraken en het advies lopen wel uiteen. Tijd dus om alles wat er nu omtrent de box 3-heffing speelt weer eens op een rijtje te zetten.


16 april 2021 5 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


Over de heffing in box 3 van de IB heerst al jaren veel onvrede. Met name de heffing op spaargeld kent veel critici. Nu veel Nederlanders de rente op hun spaarrekening naar nul hebben zien zakken, rekent de fiscus volgens hen (nog steeds) met onhaalbare rendementen.

De overheid probeert wel aan de kritiek tegemoet te komen, maar dat proces verloopt zeer traag.

In 2017 is het systeem van de box 3-heffing flink gewijzigd. Tot die tijd rekende de Belastingdienst met een vast fictief rendement van 4% op spaargeld en beleggingen. Vanaf 2017 probeert het systeem meer aan te sluiten bij de ‘werkelijke’ rendementen. Idealiter worden alleen de daadwerkelijke behaalde rendementen belast, maar zo ver is het nog lang niet.

Over de box 3-heffing is al een reeks aan rechtszaken gevoerd, omdat deze belasting niet zou stroken met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of zou discrimineren. Tot nu toe heeft de Hoge Raad boze belastingplichtigen niet geholpen.

Kort gezegd luidt het oordeel in de al besliste zaken dat als er al een schending zou zijn van de EVRM, het aan de wetgever is om dat recht te zetten. Alleen als er sprake is van een ‘individuele en buitensporige last’ kan de rechter mogelijk nog iets betekenen voor belastingplichtigen.

Heffing doorstaat toets niet

Onlangs heeft advocaat-generaal (AG) Wattel zich gebogen over de heffing in de jaren 2016 en 2017. De AG verwacht niet dat de Hoge Raad over het jaar 2016 anders zal oordelen dan over de voorgaande jaren, maar dat ligt mogelijk anders voor 2017.

De belastingplichtige in deze zaak heeft zich namelijk beroepen op het discriminatieverbod uit het EVRM. En wat de AG betreft doorstaat de box 3-heffing ‘nieuwe stijl’ die toets niet.

Ook massaal bezwaarprocedure voor box 3-heffing over 2020

Ook voor het jaar 2020 verwacht de Belastingdienst dat weer veel belastingplichtigen bezwaar zullen indienen tegen de box 3-heffing omdat zij het niet eens zijn met de door de fiscus gehanteerde percentages. Daarom heeft de staatssecretaris ook voor de IB 2020 aangegeven dat de bezwaren die worden ingediend tegen de box 3-heffing onder de massaalbezwaarprocedure vallen. Als massaal bezwaar in de zin van artikel 25c van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) wijst Vijlbrief bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen IB 2020 aan:

  • waarop ten tijde van de dagtekening van dit besluit nog geen uitspraak is gedaan of die op tijd worden ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 25e AWR bedoelde collectieve uitspraak wordt gedaan; en
  • die de volgende rechtsvraag bevatten: Is de box 3-heffing in 2020, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingsvrije vermogen en het tarief van 30%, in strijd met:
  • artikel 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld; of
  • het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM?

Wilt u deelnemen aan de massaalbezwaarprocedure voor 2020 dan moet u altijd individueel en op tijd bezwaar indienen. Gebruik deze voorbeeldbrief als u bezwaar wilt aantekenen tegen de box 3-heffing over 2020.

Rendementen lopen te ver uiteen

Wattel leest in de wetsgeschiedenis namelijk dat het de bedoeling van het nieuwe systeem is om bij alle belastingplichtigen in box 3 een ‘gemiddeld’ rendement te belasten over een ‘gemiddelde’ mix van beleggen en sparen. Maar de rendementen van individuele belastingplichtigen lopen veel te ver uiteen om een gemiddelde ‘als algemene heffingsgrondslag voor iedereen te kunnen aanvaarden’.

Dit geldt niet alleen voor de groep belastingplichtigen als geheel, maar ook voor gemiddelden binnen vermogenscategorieën. Een bedrijfsobligatie levert een heel ander rendement dan aandelen of staatsleningen, maar een gemiddelde houdt daar geen rekening mee.

De A-G maakt gehakt van de nieuwe systematiek

‘Tot systeem verheven willekeur’

De A-G maakt verder in juridische termen gehakt van de nieuwe systematiek. Want een stelsel dat de heffing baseert op een gemiddelde is wat hem betreft ‘een volledige ontkenning en daarmee een systemische schending van het discriminatieverbod’. Volgens Wattel is het gemiddelde rendement nauwelijks relevant voor het individuele rendement.

Daarmee is de box 3-heffing vanaf 2017 een ‘tot systeem verheven willekeur’. En uit de ontwikkelingen vóór 2017 leidt de AG af dat de overheid ook in die jaren al de bedoeling had ‘om spaarders en risicomijders (vergaand) te overbelasten’ en daarmee te compenseren dat de ‘bovengemiddelden’ in feite te weinig belasting betalen.

Niet te rijmen met discriminatieverbod

Het advies van de AG aan de Hoge Raad is dan ook om voor 2017 én 2016 te verklaren dat de box 3-heffing op stelselniveau niet valt te rijmen met het discriminatieverbod. Wel zou het verder aan de wetgever zijn om de ‘stelselmatige discriminatie’ op te heffen.

In tegenstelling tot de mening van de AG heeft onlangs echter de rechtbank in Haarlem wat anders beslist. In deze zaak ging het om de massaalbezwaarprocedure over de jaren 2017 en 2018. In vier zaken heeft de rechtbank getoetst of het box 3-systeem in strijd is met het EVRM. En kort gezegd luidde het oordeel: met de nieuwe systematiek heeft de wetgever de grens opgezocht van wat mag volgens de Europese regels, maar die grens is ‘op stelselniveau’ niet overschreden.

De wetgever heeft de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid wel bereikt

Ruime beoordelingsvrijheid wetgever

Bij het opstellen van wetten moet de overheid ervoor zorgen dat de regels proportioneel zijn voor het beoogde doel van de heffing. Daarbij heeft de wetgever wel een ‘ruime beoordelingsvrijheid’.

Volgens de Haarlemse rechter was de wetgever bij de nieuwe box 3-heffing nog binnen die vrijheid gebleven, maar zijn de grenzen van die beoordelingsvrijheid wel bereikt. Want op sommige onderdelen vond de wetgever de uitvoerbaarheid belangrijker dan het aansluiten bij de realiteit, oordeelde de rechter. Terwijl de wetgever zich er vooraf van ‘bewust had moeten zijn’ dat belastingplichtigen met vrijwel alleen maar spaargeld ‘zwaarder belast zouden worden’.

Tegelijkertijd zijn er ook verzachtingen en verfijningen in de box 3-heffing doorgevoerd, door onderscheid te maken tussen het rendement op sparen en op beleggen. Al met al is er volgens de rechter sprake van een ‘fair balance’ in de regelgeving.

Doorprocederen tot hoogste rechter

Vraag is hoe deze zaak nu verder gaat. Verder gaat het natuurlijk sowieso, want het idee van de massaalbezwaarprocedure is dat er wordt doorgeprocedeerd tot aan de hoogste rechter.

Daarbij is het natuurlijk een saillant detail dat de AG juist heeft geoordeeld dat de nieuwe box 3-heffing ‘stelselmatig discrimineert’. Maar over de afloop valt dus echt nog niets te zeggen. De tijd zal het leren.