Gehuwden zijn niet hetzelfde als samenlevers

Koopt u een woning en bent u in gemeenschap van goederen gehuwd, dan is het mogelijk om bij voldoende zakelijk gebruik het pand volledig als ondernemingsvermogen te etiketteren. Dit geldt echter niet als u samen met uw partner een samenlevingsovereenkomst heeft gesloten, blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

8 januari 2015 | Door redactie

In deze zaak ging het om een ondernemer die een samenlevingsovereenkomst met zijn partner had gesloten. Op 24 november 2007 kocht hij samen met zijn partner een woonboerderij. Er was sprake van gezamenlijke eigendom. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2008 en 2009 merkte de ondernemer de volledige woonboerderij aan als ondernemingsvermogen. De inspecteur stelde echter enkele vragen over deze aangifte en gaf daarna aan dat hij de etikettering van de boerderij niet wilde accepteren en corrigeerde dit.

Volledig als ondernemingsvermogen aanmerken

De ondernemer vond deze correctie op de aangifte niet terecht en ging naar de rechter. In zijn beroepschrift stelde hij dat er sprake was van een ongelijke fiscale behandeling tussen gehuwden en ongehuwden. Kochten gehuwden of geregistreerde partners een woning, dan kon de woning namelijk wel volledig als ondernemingsvermogen worden aangemerkt. De rechtbank stelde echter dat er toch een verschil was tussen gehuwden en ongehuwden. Bij gehuwden behoorde de woning namelijk tot de onverdeelde eigendom, terwijl ongehuwden de woning slechts ieder voor de onverdeelde helft in eigendom hadden.

Geen sprake van gelijke gevallen

Dit hield volgens de rechter in dat gehuwden zich in een andere vermogensrechtelijke en juridische positie bevonden dan ongehuwden die samen een pand kochten. Er was in dit geval geen sprake van gelijke gevallen en de ondernemer mocht de woning niet volledig tot het ondernemingsvermogen rekenen. De ondernemer kon dus slechts de helft van de woning etiketteren. De rechtbank oordeelde echter ook dat de helft van de woning voor minder dan 10% zakelijk werd gebruikt en dus ook niet tot het keuzevermogen kon behoren.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 november 2014, ECLI (verkort): 7990