Het verduisteren van geld is belast

Voor de Belastingdienst maakt het niet uit als inkomsten afkomstig zijn van criminele of frauduleuze handelingen. Voor het heffen van belasting is namelijk alleen een bron van inkomen vereist. Gerechtshof Den Bosch bepaalde daarom ook dat de voordelen uit het verduisteren van geld tot het resultaat uit overige werkzaamheden behoorden.

12 maart 2014 | Door redactie

In deze zaak ging het om een werknemer die ruim € 1,8 miljoen verduisterde door valse aangiften BTW in te dienen. En dat was niet de eerste keer. Bij zijn vorige werkgever had hij ook al ƒ 2,5 miljoen verduisterd. Uiteindelijk kwam de bv erachter en werd de man op staande voet ontslagen. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2006 gaf de man echter niets op van de verduisterde gelden. De inspecteur corrigeerde de aangifte en verdeelde het verduisterde geld over 2005 (€ 1 miljoen) en 2006 (€ 800.000) als resultaat uit overige werkzaamheden. De man vond dat niet terecht.

Geen inkomen uit dienstbetrekking

Het gerechtshof gaf aan dat het verduisterde geld geen inkomen uit dienstbetrekking kon vormen. De bv verstrekte het geld immers niet aan de man als beloning voor de werkzaamheden. De dienstbetrekking stelde de man echter wel in staat om het geld te verduisteren. Volgens de rechter was er daarom wel degelijk sprake van resultaat uit overige werkzaamheden.

Beleggingsverlies niet aftrekbaar

Op het behaalde resultaat wilde de man zijn beleggingsverliezen – het geld was namelijk niet zo goed belegd – in mindering brengen. Het gerechtshof ging daar niet in mee. De werkzaamheid was namelijk niet het beleggen van het geld, maar juist het verduisteren van het geld. Er was geen verlies geleden op het verduisteren van geld. Het beleggingsverlies hoorde dus in box 3 thuis.
Daarnaast gaf de man aan dat hij nog een verplichting aan de bv had om het geld terug te betalen en dat hij daarvoor een voorziening wilde vormen. Hij had echter geen rooie cent meer en dus waardeerde het gerechtshof die verplichting op nihil. De inspecteur kreeg dus gelijk.
Gerechtshof ´s-Hertogenbosch, 31 december 2013, ECLI (verkort): 6014