Meerdere opdrachtgevers maar toch geen IB-ondernemer

Ondanks het feit dat een belastingplichtige meerdere opdrachtgevers heeft, kan het toch zo zijn dat hij geen ondernemer voor de inkomstenbelasting (IB) is. Voor de bepaling of iemand IB-ondernemer is kan volgens de rechter de omzet die is behaald met het werk naast de hoofdwerkzaamheden doorslaggevend zijn. Een omzet van 2% is wel erg weinig.

4 februari 2021 | Door redactie

Een ondernemer voor de IB heeft een aantal fiscale voordelen boven iemand die in dienstbetrekking is. Zo komt hij, als hij aan het urencriterium voldoet, in aanmerking voor de ondernemersaftrek. En daarnaast kan hij de MKB-winstvrijstelling claimen. Om te bepalen of iemand daadwerkelijk IB-ondernemer is, kijkt de fiscus onder andere naar de zelfstandigheid van de onderneming, of er winst wordt gemaakt, in de onderneming is geïnvesteerd, hoeveel opdrachtgevers iemand heeft en of er ondernemingsrisico wordt gelopen.  

Winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden?

In deze zaak ging het om een man die als zzp’er werkte voor een bv aan onderhoud en reparatie van machines op twee havenlocaties. Daarnaast verrichtte hij bij andere opdrachtgevers schoonmaak­werkzaamheden. Hij gaf alle inkomsten aan onder winst uit onderneming. De inspecteur was het hier niet mee eens en vond dat het hier ging om resultaat uit overige werkzaamheden omdat de man gewoon in dienstbetrekking was bij de bv en de opbrengst van de schoonmaakwerkzaamheden heel laag was.

Geen duurzaam streven aanwezig

Bij de rechtbank kreeg de inspecteur gelijk. Deze rechter vond dat de man in dienstbetrekking was van de bv. Hof Den Haag schaarde zich ook achter de inspecteur. De rechter vond dat er geen duurzaam streven was om te werken voor verschillende opdrachtgevers. Hij had wel meerdere opdrachtgevers maar het schoonmaakwerk was maar 2% van de omzet. De rest van de omzet bestond uit de opbrengsten die hij volgens de rechter in dienstbetrekking verrichtte. Hij was daar namelijk fulltime aanwezig en kon zelf niets qua werktijden, plaats werk enz. bepalen. De bv gaf aan wat en waar hij zijn werkzaamheden moest doen. Het beroep werd dus ongegrond verklaard. De man ging nog in cassatie maar dat werd niet-ontvankelijk verklaard.
Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI (verkort): 134 , Hof Den Haag, 22 september 2020, ECLI (verkort): 1766