Pensioen is geen primaire arbeidsvoorwaarde

Als de bestuurder de pensioengrondslag wil wijzigen, is het instemmingsrecht van de OR van toepassing. Een pensioenverzekeringsregeling is namelijk geen primaire, maar een secundaire arbeidsvoorwaarde. In dat geval heeft de OR instemmingsrecht, zo blijkt uit een recente rechtszaak. Als de OR zijn instemming vervolgens onthoudt, moet het hof de argumenten van de OR wel bij zijn oordeel betrekken.

6 februari 2014 | Door redactie

Een bestuurder had een instemmingsverzoek aan de ondernemingsraad voorgelegd over het pensioen. Hij wilde de onregelmatigheidstoeslag van de werknemers namelijk uit de pensioengrondslag halen. Toen bleek dat de OR niet had ingestemd met het verzoek van de bestuurder, stapte die laatste naar de rechter om vervangende toestemming te vragen. Die vervangende toestemming kreeg hij niet bij de kantonrechter, maar vervolgens wel bij het hof. Uiteindelijk belandde het geschil bij de Hoge Raad die moest oordelen over twee vragen: of voor de wijziging van de pensioengrondslag instemming van de OR moest worden gevraagd en of het onredelijk was dat de OR geen instemming had verleend.

Instemmingsrecht bij pensioenverzekeringsregeling

De wijziging van de pensioengrondslag zou niet instemmingsplichtig zijn, omdat het een primaire arbeidsvoorwaarde betreft. Het was niet de bedoeling van de wetgever om OR’en hierbij instemmingsrecht te verlenen. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever er juist voor had gekozen om een pensioenverzekeringsregeling niet tot de primaire arbeidsvoorwaarden te rekenen. Door de pensioenverzekeringsregeling tot de secundaire arbeidsvoorwaarden te rekenen, was het instemmingsrecht van de OR (artikel 27 lid 1a WOR) hierop wel van toepassing.

Vervangende toestemming van het hof kwam te vervallen

Het hof had de bestuurder vervangende toestemming gegeven om het besluit uit te voeren. Maar volgens de Hoge Raad was het alleen mogelijk om vervangende toestemming te geven als de argumenten van de bestuurder voor uitvoering van het besluit zwaarder zouden wegen dan de argumenten van de OR om zijn instemming te onthouden. In dit geval had de OR wél argumenten gegeven, maar had het hof deze argumenten niet bij zijn beoordeling betrokken. Daarmee had het hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd en daarmee kwam de vervangende toestemming te vervallen. Een ander hof zou zich opnieuw over de zaak moeten buigen.
Hoge Raad, 24 januari 2014, ECLI (verkort): 159