Niet te lang wachten met legen herinvesteringsreserve

Ondernemers kunnen de verkoopopbrengst van een bedrijfsmiddel in een reserve stoppen om van dat geld op termijn een ander bedrijfsmiddel te kopen. Dat moet dan wel binnen drie jaar, anders telt de inspecteur de reserve op bij de winst. Afwijken van die termijn mag alleen in uitzonderlijke gevallen, bevestigt het gerechtshof in Den Bosch.

22 oktober 2019 | Door redactie

De reserve voor toekomstige investeringen heet vrij toepasselijk de herinvesteringsreserve (HIR). Voor het vormen van zo’n HIR (tool) gelden uiteraard een aantal voorwaarden. Zo moet de onderneming steeds het voornemen hebben om het geld opnieuw te investeren. En het geld moet in principe binnen drie jaar opnieuw zijn uitgegeven.

Inspecteur telt HIR op bij de winst

Over die laatste voorwaarde ging het in deze zaak. Een ondernemer met een eenmanszaak had vastgoed verkocht en van de opbrengst een HIR gevormd ter waarde van ruim € 1,4 miljoen. Na een boekenonderzoek concludeerde de inspecteur dat het geld uit de HIR niet op tijd weer was geïnvesteerd. En dus telde hij het op bij de winst. Dat leverde de ondernemer een aanslag inkomstenbelasting op van dik € 1,2 miljoen.
De ondernemer ging in bezwaar en later in beroep tegen die aanslag. Hij deed een beroep op een uitzondering in de wet voor ondernemers die bij het herinvesteren tegen ‘bijzondere omstandigheden’ aanlopen. Dan kan de termijn van drie jaar verlengd worden, maar dan moet de ondernemer wel al een begin hebben gemaakt met investeren in een nieuw bedrijfsmiddel. In deze tijd van het jaar is het dus voor ondernemers geen overbodige luxe om de looptijd van hun reserves (infographic) te checken. Loopt die tegen de drie jaar, dan is het hoog tijd om in elk geval een start te maken met het uitgeven van dat geld.

Uitstel vervanging is ondernemingskeuze

De ondernemer voerde aan dat de vervanging was vertraagd omdat andere panden die hij in bezit had waren gekraakt. Die kon hij daardoor nog niet verkopen, en hij wilde de volledige opbrengst van de vastgoedverkoop gebruiken om ander onroerend goed te kopen. Maar het gerechtshof maakte korte metten met die stelling. Dit was geen bijzondere omstandigheid, maar een ondernemingskeuze van de man. Verder had de man geen redenen genoemd waardoor hij het geld uit de HIR niet eerder had kunnen spenderen. Het gerechtshof liet de aanslag dus in stand.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 7 juni 2019 (publicatiedatum 18 oktober 2019), ECLI (verkort): 2134

Bijlagen bij dit bericht

Investeren en innoveren
E-learning | VideoCollege 16 minuten