Bv vangt bot bij hof over crisisheffing

Een bv, die bezwaar maakte tegen de crisisheffing, heeft bij het Gerechtshof Den Haag alsnog bakzeil gehaald. Volgens het gerechtshof bestaat er een redelijke grond voor de crisisheffing. Het is daarbij toegestaan dat de wetgever onderscheid maakt tussen verschillende werkgevers. Verder is de crisisheffing geen individuele buitensporige last en is de terugwerkende kracht toelaatbaar.

7 mei 2015 | Door redactie

De bv had een aantal werknemers in dienst met een inkomen van boven de € 150.000. Dit hoge inkomen was het gevolg van uitgekeerde bonussen en andere beloningen in 2012. De bv moest daardoor in 2013 een crisisheffing betalen van € 48.631, dat was 4,18% van de totaal over 2012 afgedragen loonheffing. Tegen deze crisisheffing maakte de bv direct bezwaar. De rechtbank stelde de inspecteur echter in het gelijk. Het was toegestaan om de crisisheffing te berekenen op basis van het loon in 2012. Dit viel binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. Daarnaast was de crisisheffing niet in strijd met andere verdragsbepalingen.

Stijging van de loonkosten door de crisisheffing

De bv probeerde zijn gelijk nog te halen bij het gerechtshof. Het gerechtshof stelde echter dat de wetgever onderscheid mocht maken tussen werkgevers met goed betaalde werknemers en werkgevers met werknemers met een salaris beneden de € 150.000. Daarnaast was de terugwerkende kracht van de crisisheffing toegestaan. Het maakte daarbij niet uit dat de bv bij de budgettering en de kostprijsberekening geen rekening kon houden met de stijging van de loonkosten door de crisisheffing. De inspecteur kreeg dus gelijk en de bv moest gewoon de crisisheffing betalen.
Gerechtshof Den Haag, 22 april 2015, ECLI (verkort): 979