Crisisheffing belemmert vrij verkeer werknemers niet

De zogenoemde crisisheffing die in 2013 en 2014 gold heeft opnieuw een juridische test doorstaan bij de Hoge Raad. De 'pseudo-eindheffing hoge lonen' is niet in strijd met de Europese regels voor het vrije verkeer van werknemers, aldus Nederlands hoogste rechter.

29 oktober 2019 | Door redactie

Om de schatkist extra te spekken na de economische crisis, stelde het kabinet in 2013 en 2014 een ‘pseudo-eindheffing hoge lonen’ in, ook wel bekend als crisisheffing. Nederlandse werkgevers die bestuurders in het voorgaande kalenderjaar meer dan € 150.000 aan salaris hadden betaald, kregen met die heffing te maken. Over het salaris boven deze grens moesten zij 16% crisisheffing afdragen. Tegen deze heffing werd volop bezwaar aangetekend, maar zowel de Hoge Raad als het Europese Hof van Justitie concludeerden eerder dat de heffing rechtvaardig was.

Europese regels voor vrij verkeer van werknemers

De bestuurder in deze zaak zat inderdaad behoorlijk boven het drempelbedrag: hij verdiende in 2012 ruim € 3,6 miljoen bruto. De werkgever van de man had in het tijdvak maart 2013 bij de aangifte loonheffingen een bedrag van dik € 556.000 aan pseudo-eindheffing hoge lonen afgedragen. Daarna ging de werkgever in bezwaar tegen de heffing. Toen de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaarde, legde de werkgever de zaak voor aan de rechtbank.
Omdat de bestuurder in 2012 in Oostenrijk woonde was vooral de vraag of de heffing deugde volgens het Europees recht. En dan vooral of de heffing in strijd was met de artikelen 45 tot en met 48 uit het Europese Verdrag, die het vrije verkeer van werknemers regelen binnen de EU. De rechtbank oordeelde dat er hier sprake was van een juridisch gezien ‘volledig binnenlandse situatie’, waardoor de artikelen niet van toepassing waren.

Crisisheffing discrimineert niet, vindt Hoge Raad

Na dit oordeel legde de werkgever de zaak direct voor aan de Hoge Raad. Die stelde dat dit geen ‘volledig binnenlandse situatie’ was. En dus moest de Raad nagaan of de heffing wel strookte met het vrije verkeer van werknemers. Maatregelen die het vrije verkeer van werknemers verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken keurt het Europese Hof namelijk af. En ook belastingmaatregelen die een grensoverschrijdende situatie benadelen ten opzichte van een binnenlandse situatie kunnen volgens het Hof  niet door de beugel.
Maar daar was hier geen sprake van, oordeelde de Hoge Raad. De crisisheffing discrimineert niet, want die maakte geen onderscheid naar nationaliteit of woonplaats. En de heffing leidde ook niet tot een verbod op het in dienst nemen van een werknemer uit een andere lidstaat. Een belemmering van het vrije verkeer van werknemers was dus niet aan de orde. De werkgever kreeg de crisisheffing dus niet terug.
Hoge Raad, 25 oktober 2019, ECLI (verkort): 1624