Excessieve vertrekvergoeding mag terugwerken

De regeling voor excessieve vertrekvergoedingen heeft terugwerkende kracht. Het loon uit eerdere jaren is namelijk nodig om het excessieve deel van deze vertrekvergoeding te bepalen. Mag dat wel? De Hoge Raad moet daar binnenkort zijn mening over geven. Advocaat-Generaal (A-G) Niessen vindt deze heffing in ieder geval niet in strijd met de Europese wetgeving.

13 november 2013 | Door redactie

De regeling voor excessieve vertrekvergoedingen is ingevoerd op 1 januari 2009 (op 13 mei 2008 is het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer). Is er sprake van een excessieve vertrekvergoeding, dan moet uw onderneming een extra eindheffing betalen. Tot en met 2012 was de hoogte van die eindheffing 30%. Het kabinet heeft die eindheffing daarna verhoogd naar 75%. Voor het bepalen van het excessieve deel van de vertrekvergoeding speelt het jaarloon van het jaar waarin de dienstbetrekking eindigt en het jaarloon van het voorgaande jaar een rol. Er is dus sprake van een zogenoemde (materiële) terugwerkende kracht.

Geen rekening houden met aandelenopties

In deze zaak kreeg een werknemer van een nv in 2009 een vertrekvergoeding van € 1.350.000 bruto. Hierover betaalde de onderneming een eindheffing van € 277.044. De werknemer had op 9 mei 2008 echter ook zijn aandelenopties verzilverd, maar dat voordeel was niet meegenomen bij het bepalen van de eindheffing. De inspecteur was het niet eens met deze berekening en legde een naheffingsaanslag op van € 537.000. Volgens de onderneming was dat niet juist, want het wetsvoorstel was pas op 13 mei 2008 ingediend en de aandelen waren al eerder overgedragen. Het was daardoor niet mogelijk om met deze nieuwe regeling rekening te houden. De terugwerkende kracht wat betreft de aandelenopties was volgens het gerechtshof inderdaad in strijd met het Europees recht, omdat de nv daar geen rekening mee kon houden. Het gerechtshof verminderde daarom de naheffingsaanslag.

Niet in strijd met het EVRM

De A-G ging in zijn conclusie uitgebreid in op de vraag of de regeling in strijd was met het recht op ongestoord genot van eigendom uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hij vond de argumenten voor een terugwerkende kracht niet echt overtuigend. Daar stond wel tegenover dat het bij deze regeling ging om materiële terugwerkende kracht en geen formele terugwerkende kracht. Bij het uittreden van de werknemer kon de nv namelijk de fiscale gevolgen gelijk overzien. Daarnaast beperkte de heffing niet de vertrekvergoeding van de werknemer, omdat de heffing van de onderneming werd geheven. Er was tevens sprake van een ruime vrije voet en de regeling raakte de onderneming zelf niet excessief. De regeling voor excessieve vertrekvergoedingen was daardoor niet in strijd met het EVRM. Bij een hoger tarief (zoals dat nu het geval is) zou de conclusie van de A-G mogelijk anders zijn.
Conclusie Advocaat-Generaal Niessen, 24 september 2013, ECLI (verkort): 979