Ook tweede crisisheffing deels onrechtmatig

De verlenging van de crisisheffing in 2013 is volgens de advocaat-generaal (AG) een gedeeltelijke inbreuk op het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens. Hij komt hiermee tot dezelfde conclusie als in zijn oordeel over het eerste jaar dat de crisisheffing werd opgelegd.

30 november 2015 | Door redactie

In zijn conclusie stelt de AG dat de crisisheffing op zichzelf gezien niet onrechtmatig is. Toch was de verlenging van de crisisheffing deels onrechtmatig. Strikt genomen mag een overheid een belasting met terugwerkende kracht invoeren, maar het kabinet had bij het eerste jaar van de crisisheffing stellig beweerd dat deze eenmalig zou zijn. Later bleek uit de stukken voor Prinsjesdag 2013 dat de crisisheffing toch verlengd zou worden. Deze ‘onvoorzienbare terugwerkende kracht’ is volgens de AG in strijd met het eigendomsrecht.

Grens van crisisheffing ligt bij Prinsjesdag

Over het eerste jaar van de crisisheffing stelde de AG dat de grens van de crisisheffing moest worden opgeschoven tot 25 mei 2012, toen de maatregel definitief van kracht werd. Voor de verlengde crisisheffing over 2013 vindt de AG dat de grens moet komen te liggen op het moment dat de Prinsjesdagstukken bekendgemaakt werden. Hierin werden de plannen aangekondigd. De AG stelt voor dat de crisisheffing niet geldt voor het loon dat voor 17 september 2013 al de € 150.000 overschreed, maar wel over het loon boven die grens voor zover het na die datum werd verdiend. De Hoge Raad moet nog definitief uitspraak doen over de twee conclusies die de AG heeft genomen over de crisisheffing.
Parket bij de Hoge Raad, 17 november 2015, ECLI (verkort): 2304