Rechter vindt crisisheffing niet onredelijk

De rechtbank in Den Haag heeft onlangs in een aantal vergelijkbare zaken bepaald dat de pseudo-eindheffing hoog loon niet in strijd is met de wet of met internationale verdragen. De regering had het recht om de regeling in te voeren.

8 mei 2014 | Door redactie

De pseudo-eindheffing hoog loon werd in 2012 door de Nederlandse regering geïntroduceerd omdat er extra inkomsten voor de schatkist nodig waren. De regeling houdt in dat uw onderneming in 2013 en 2014 in de loonaangifte van maart 16% extra belasting moet betalen over het deel van het loon van werknemers dat in het voorgaande kalenderjaar de € 150.000 oversteeg. Veel werkgevers maakten bezwaar tegen deze crisisheffing vanwege de terugwerkende kracht van de maatregel. Hierover las u al in het bericht ‘Crisisheffing in strijd met Europese wetgeving’.

Crisisheffing zou leiden tot discriminatie

Sommige werkgevers stapten ook naar de rechter. Ze stelden dat de crisisheffing in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dan met name het recht op ongestoord genot van eigendom. Ook wezen ze op het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) van de Verenigde Naties. De crisisheffing zou in strijd zijn met het artikel 26 van dat verdrag, dat gelijkheid voor de wet garandeert. De crisisheffing zou juist leiden tot discriminatie.

Invoering crisisheffing was toegestaan

De rechter was van mening dat de regering de crisisheffing mocht invoeren. Het vormgeven van de pseudo-eindheffing hoog loon valt binnen de beleidsruimte van de overheid. Bovendien is de crisisheffing niet onredelijk. De rechter vond dan ook dat de heffing de toetsing aan het EVRM en het IVBPR kon doorstaan. Enkele werkgevers hebben al aangekondigd in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak, desnoods tot aan het Europese Hof van Justitie.
Rechtbank Den Haag, 7 mei 2014, ECLI (verkort): 5581, 5583, 5586, 5587, 5588, 5589 en 5590