Ook instelling kan straks heffen over levenslooptegoed

Het kabinet stelt enkele aanpassingen voor om de afwikkeling van de levensloopregeling eind 2021 in goede banen te leiden. Zo is straks de (ex-)werkgever niet meer de enige die als inhoudingsplichtige kan optreden.

15 september 2020 | Door redactie

Sinds de afschaffing van de levensloopregeling per 2012 kunnen werknemers niet meer gaan levenslopen. Alleen werknemers die op 31 december 2011 al een levenslooptegoed hadden van minstens € 3.000, kunnen nog gebruikmaken van de spaarfaciliteiten van de regeling. Het overgangsrecht voor de levensloopregeling eindigt op 1 januari 2022. Bij deelnemers die hun aanspraak dan nog niet hebben laten uitkeren, wordt op dat moment de waarde in het economische verkeer van de aanspraak belast. Onder de huidige regels ligt de inhoudingsplicht bij de (ex-)werkgever, maar dat is in de praktijk niet altijd handig.

Genietingsmoment vervroegd naar 1 november

In het Belastingplan 2021 stelt het kabinet voor om de instelling die de levensloopregeling uitvoert inhoudingsplichtig te maken voor de loonheffing die is verschuldigd op het moment dat de overgangsregeling eindigt. Tegelijkertijd wil het kabinet dat moment naar voren halen. De datum van dit (fiscale genietings)moment is dan niet langer 31 december 2021, maar wordt 1 november 2021. De instellingen hebben dan de maanden november en december om de verschuldigde loonheffing te verhalen op de werknemer. Voor de werknemer heeft dit als voordeel dat de betaalde belasting kan leiden tot een lagere box 3-heffing. Tot en met 31 oktober 2021 blijft het voor de werknemer mogelijk de (ex-)werkgever te verzoeken de waarde van de levensloopaanspraak via hem te laten uitbetalen. Daarna heeft de (ex-)werkgever geen omkijken meer naar de levensloopregeling.

Download de complete Miljoenennota 2021 (pdf) en het Belastingplan 2021 (pdf), zodat u snel de achtergrondinformatie bij de hand heeft.