Loonsanctie is gewoon 70% van het loon

26 januari 2011 | Door redactie

Bij een verlengde loondoorbetalingsplicht bij ziekte moet de werkgever in principe 70% van het loon uitbetalen, tenzij daarover vooraf afwijkende afspraken zijn gemaakt. Als de werkgever eerder tijdens de ziekte meer uitbetaalde, betekent dat dus niet automatisch dat hij dat ook tijdens de loonsanctie moet doen. De werknemer mag echter geen financieel nadeel ondervinden van de loonsanctie van zijn baas.

Een werkgever die zich niet genoeg inspant om de re-integratie van een zieke werknemer te bevorderen kan van UWV een loonsanctie opgelegd krijgen. Dat houdt in dat hij het loon van de werknemer langer moet doorbetalen dan de gebruikelijke twee jaar. Een recent gepubliceerde rechtszaak ging over de hoogte van de loonsanctie. Een aannemer betaalde volgens de cao een arbeidsongeschikte werknemer de eerste zes maanden 100% en daarna nog achttien maanden 90% van het loon door. De werknemer eiste die 90% ook tijdens de verlengde loondoorbetalingsperiode van een jaar.

Geen afspraken over loonsanctie

Volgens de rechter had de man daar echter geen recht op. In de wet staat duidelijk dat de werkgever tijdens de loonsanctie 70% van het loon moet uitbetalen. In dit geval waren er geen andere afspraken over gemaakt. De afspraken in de cao sloegen alleen op de normale loondoorbetalingsperiode, niet op de periode van de loonsanctie.

Overuren wel uitbetalen

Overigens moest de werkgever toch nog flink in de buidel tasten. De WIA-uitkering waar de werknemer zonder loonsanctie recht op zou hebben gehad zou namelijk ook rekening houden met het aantal gewerkte overuren in het jaar voorafgaand aan de eerste ziektedag. De aannemer was tijdens de loonsanctie echter gestopt met het uitbetalen van deze overuren. Dit zou betekenen dat de WIA-uitkering hoger zou zijn dan het bedrag dat de man van zijn werkgever ontving. Een werknemer mag echter geen financieel nadeel ondervinden van een loonsanctie en dus moest de werkgever ook rekening blijven houden met de overuren.
Kantonrechter Rotterdam, 18 juni 2010, LJN: BO5288