Ook loondoorbetalingsplicht bij zieke uitzendkracht

Als een uitzendkracht uitvalt door ziekte of een bedrijfsongeval, heeft hij recht op doorbetaling van loon. Een bepaling in de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) die in dat geval de uitzendovereenkomst automatisch beëindigt, is in strijd met de wet. Dat oordeelde het Gerechtshof Den Haag.

19 maart 2020 | Door redactie

In de wet staat dat een werkgever een arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen tijdens ziekte. Tot 1 juli 2015 bood de wet nog de mogelijkheid om in een cao daarvan af te wijken. Maar door een wetswijziging is dit na die datum niet meer mogelijk. Dat betekent dat een (oude) cao-bepaling die een arbeidsovereenkomst automatisch beëindigt bij uitval van een werknemer door ziekte of een bedrijfsongeval, in strijd is met de wet.

Uitzendbureau handelt in strijd met de wet

Dat was ook het geval in de bewuste rechtszaak. Een ongelukkige uitzendkracht was met zijn hand in een machine terechtgekomen. Daarbij werden twee vingers van zijn rechterhand deels geamputeerd. De werknemer moest daardoor meerdere operaties ondergaan. Verwijzend naar de cao beëindigde het uitzendbureau daarop de uitzendovereenkomst en weigerde loondoorbetaling. In de cao stond namelijk dat een contract met het uitzendbureau automatisch eindigt als een uitzendkracht ziek wordt of uitvalt door een bedrijfsongeval. De rechter oordeelde dat dit in strijd was met de wet.  

Loondoorbetalingsplicht opschorten is soms mogelijk

De uitspraak gaat het uitzendbureau geld kosten. Als een werknemer ziek wordt, moet een organisatie gedurende twee jaar minimaal 70% van zijn loon doorbetalen (infographic). In het eerste ziektejaar geldt bovendien het wettelijk minimumloon als ondergrens. In de (collectieve) arbeidsovereenkomst kan een hoger percentage dan 70% zijn afgesproken. In bepaalde situaties kan de loondoorbetalingsplicht van de werkgever wel opgeschort of stopgezet worden. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als een werknemer zich niet conform de voorschriften gedraagt en hij daar al eerder op is aangesproken.

Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2020, ECLI (verkort): 460