Bij vakantieplanning geldt: werknemer eerst

26 november 2009 Door redactie

Veel officemanagers en secretaresses hebben de schone taak om het personeelsdossier en de personeelsplanning bij te houden. Voor 2010 hebben veel collega’s al vakantieplannen gemaakt. Soms zal een manager een vakantie-aanvraag weigeren, en zeer zelden is hij daartoe gerechtigd. Hoe zit het bij uw bedrijf met voorrangsregels bij vakantiegangers? Wat mag en moet van de wet?

In artikel 7:638-2 van het Burgelijk Wetboek staat het zo: ‘In eerste instantie geeft de medewerker zijn gewenste vakantieperiode door aan de werkgever, ook zonder dat de werkgever hierom vraagt. Een schriftelijk verzoek van de medewerker kan de werkgever slechts schriftelijk afwijzen als hij daarbij gewichtige redenen aanvoert en dat doet binnen twee weken. Reageert een werkgever later dan twee weken, dan is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de medewerker.' Dat betekent, in eenvoudige taal: de werknemer bepaalt eerst wanneer hij vakantie wil, de leidinggevende reageert daar snel op. En als hij niet reageert heeft hij de werknemer een akkoord gegeven.

Wet met voeten getreden

Bij veel bedrijven wordt deze wet met voeten getreden. Werknemers moeten zich dan voegen naar de planning van het management. Maar dat mag niet. Of er moet sprake zijn van een collectieve vakantieplanning, zoals de bouwvak. Het is echter niet zo dat een vakantie van drie of vier weken geweigerd kan worden ‘omdat het zo slecht uitkomt met het rooster'. Alleen bij zwaarwegend bedrijfsbelang (het bedrijf gaat anders failliet) mag zo'n planning worden afgekeurd.