Onderneming moet adviseur kunnen vertrouwen

Bij het ontbreken van deskundigheid moet uw onderneming er toch op kunnen vertrouwen dat de adviseur voor een goede loonadministratie zorgt. Het opleggen van een vergrijpboete aan u is in die situatie dan ook niet mogelijk. Dit blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad.

27 oktober 2011 | Door redactie

Betaalt u niet, te laat of te weinig belasting dan kan de fiscus bij grove schuld of opzet de onderneming een vergrijpboete opleggen. Er is sprake van grove schuld als de onderneming nalatig, onzorgvuldig of onachtzaam is geweest bij de aangifte loonheffingen. Bij opzet moet de onderneming willens en wetens gehandeld hebben. Uw onderneming moet er wel rekening mee houden dat u ook een vergrijpboete kunt krijgen door het handelen van uw adviseur. Dit is anders als uw onderneming kan aantonen dat er geen twijfel bestond over de juistheid van de adviezen van de adviseur. Dit bleek ook uit een recent arrest van de Hoge Raad. In deze zaak ging het om een schoonmaakbedrijf dat de fiscale zaken van de onderneming door een adviseur liet regelen. Op 7 maart 2003 stelde de Belastingdienst een boekenonderzoek in. Uit dit onderzoek bleek dat de administratie niet in orde was en dat niet alle identiteitsbewijzen van de werknemers in de boekhouding waren terug te vinden.

Geen sprake van grove schuld

De fiscus legde dan ook een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op met een vergrijpboete. De bv vond de naheffingsaanslag en boete onterecht en ging naar de rechter. Volgens de bv was een vergrijpboete onterecht, omdat er geen sprake was van grove schuld of opzet. De adviseur had namelijk alles afgehandeld. In dat geval moest de bv er toch op kunnen vertrouwen dat de adviseur de fiscale zaken goed zou afhandelen. De bv had geen aanwijzingen dat ze moesten twijfelen aan de vakbekwaamheid van de adviseur. De Hoge Raad ging hier uiteindelijk in mee en vond dat de fiscus de bv geen grove schuld kon verwijten. De bv kreeg dus gelijk en de rechter vernietigde de boete.
Hoge Raad, 23 september 2011, LJN: BT2215