Privézorgen ondergeschikt aan roosterwijziging

Een werkgever mag onder omstandigheden een wijziging doorvoeren in de werktijden van een werknemer, ook als hij geen eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst heeft opgenomen en de nieuwe werktijden negatieve gevolgen hebben voor de werknemer. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland.

14 november 2014 | Door redactie

Een werkgever voerde vanwege organisatorische redenen een roosterwijziging door voor de hele organisatie. Een werkneemster die eerder op drie dagen per week werkte tussen 9:00 uur en 18:00 uur, kreeg door de wijziging variërende werktijden en -dagen. Zij wilde echter haar oorspronkelijke werktijden en -dagen behouden, omdat zij als gescheiden moeder voor twee kinderen moest zorgen die kampten met een autistische stoornis. Haar ex – de vader – was ook autistisch. Vanwege de therapie van haar kinderen was het draaien van ochtend- en avonddiensten onmogelijk.

Oorspronkelijke werktijden waren een verworven recht

Volgens de werkneemster had de werkgever onvoldoende rekening gehouden met haar privébelang en had hij geen redelijk alternatief gegeven. Ze vond de eenzijdige wijziging daardoor onjuist. Daarnaast bevatte haar contract geen eenzijdig wijzigingsbeding. Hoewel ook de werktijden geen onderdeel waren van haar contract, waren de vaste tijden in de loop der tijd wel een verworven recht geworden en daarmee behoorden ze tot haar arbeidsvoorwaarden. De arbeidsvoorwaardenwijziging moest de rechter daarom toetsen aan de norm van goed werkgever- en werknemerschap.

Roosterwijziging in overeenstemming met OR, cao en wet

De rechter beoordeelde de wijziging van de arbeidsvoorwaarde als redelijk. De werkgever werd door marktontwikkelingen gedwongen om het rooster aan te passen. Deze wijziging gold voor de hele organisatie, was in overleg met de OR tot stand gekomen en was in overeenstemming met de cao en de Arbeidstijdenwet. Het behouden van haar oude inroostering zou leiden tot onredelijke belasting van collega’s en mogelijk tot financiële problemen bij de werkgever. Bovendien was het privébelang van de werkneemster niet groter dan dat van andere collega’s die ook kinderen hadden.
Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2014, ECLI (verkort): 4203