Buitenlands hoofdkantoor zet OR vaak buitenspel

Bij Nederlandse organisaties met een buitenlands hoofdkantoor staat de ondernemingsraad (OR) vaak buitenspel. Ook oefenen directies geregeld druk uit op ondernemingsraden om in te stemmen met voorgenomen besluiten. Dit vertelde CNV-bestuurder Arthur Bot vorige week bij BNR.

1 februari 2021 | Door redactie

Vakbond CNV krijgt regelmatig signalen dat ondernemingsraden van organisaties die in buitenlandse handen zijn buitenspel worden gezet en dat zij niet meer toekomen aan hun eigenlijke rol: het waarborgen van medezeggenschap van de werknemers bij het organisatiebeleid. Volgens vakbondsbestuurder Bot ervaren OR-leden geregeld druk vanuit het management om te doen wat de directie wil, zonder dat zij de benodigde informatie krijgen om tot een onafhankelijke beoordeling te komen. De informatie die de OR tot zijn beschikking krijgt, heeft bovendien steeds vaker een vertrouwelijk karakter, wat overleg met de achterban of bijvoorbeeld de vakbonden bemoeilijkt.

Vakbond pleit voor aanpassing wetgeving om functioneren OR te waarborgen

Deze gang van zaken belemmert de OR ernstig in zijn functioneren, vindt Bot. Op deze manier kan de OR namelijk geen verantwoording over zijn doen en laten afleggen aan zijn achterban. De vakbondsman pleit voor een aanscherping van de huidige wetgeving bij overnames door buitenlandse partijen, zodat ondernemingsraden beter gebruik kunnen maken van hun wettelijke bevoegdheden.

Wat als de bestuurder de bevoegdheden van de OR negeert?

Ook als een organisatie een buitenlands hoofdkantoor heeft, moet de Nederlandse bestuurder zich houden aan de procedures en regels die in de Nederlandse wet zijn vastgelegd. De bevoegdheden van de OR zijn vastgelegd in de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Op grond van de WOR kan de OR dus zijn rechten doen gelden. Heeft de OR een geschil met de bestuurder, bijvoorbeeld omdat deze de bevoegdheden van de OR negeert, dan kan de OR de bedrijfscommissie inschakelen voor bemiddeling en advies. De OR kan de zaak ook ter beoordeling voorleggen aan de kantonrechter (artikel 36 WOR), maar dat zal niet bevorderlijk zijn voor een goede verstandhouding met de bestuurder. Bemiddeling is daarom vaak een verstandige eerste stap. Bovendien staat de OR bij de kantonrechter sterker als de raad er alles aan heeft gedaan om met de bestuurder tot een oplossing te komen.