Wanneer is een ondernemingsraad verplicht?

Een ondernemingsraad (OR) is verplicht als een onderneming minimaal 50 werknemers telt. In de praktijk is het soms lastig te bepalen of een organisatie een instellingsplicht heeft. Bovendien mogen ook kleine organisaties een OR instellen, terwijl lang niet alle grotere organisaties een OR hebben.

4 maart 2020 | Door redactie

In de Wet op de ondernemingsraden (WOR) staat wanneer het instellen van een OR verplicht is. Allereerst moet er sprake zijn van een onderneming. Dit is het geval als:

  • het bedrijf zich presenteert als een zelfstandige eenheid;
  • er sprake is van een organisatorisch verband van mensen;
  • deze mensen tegen betaling en onder leiding samenwerken.

Wie telt mee als werknemer en wie niet?

Daarnaast speelt het aantal werkzame personen in de organisatie een rol. De instellingsplicht geldt namelijk als de organisatie minimaal 50 werkzame personen in dienst heeft. Maar wie telt mee als werknemer? De bestuurder in ieder geval niet. Het gaat om het gemiddelde aantal werknemers met een arbeidsovereenkomst tijdens de zittingsperiode van de OR. Hierbij maakt het niet uit of de werknemer een vast of tijdelijk contract heeft. Tijdelijke krachten die een uitlenende organisatie, zoals een uitzendbureau, beschikbaar stelt, tellen echter niet mee; zij tellen als werknemer mee bij de uitlener.

Met gebundelde krachten van verschillende ondernemingen

Soms werken onafhankelijke ondernemingen in de praktijk zeer nauw samen en hebben ze bijvoorbeeld een overkoepelend bestuur. Als het gezamenlijke aantal werknemers dan boven de 50 komt, kunnen de werknemers de oprichting van een gemeenschappelijke OR opeisen. De WOR beschouwt deze ondernemingen dan namelijk als één, waardoor er een instellingsverplichting ontstaat. Zo’n gemeenschappelijke OR is overigens niet hetzelfde als een groepsondernemingsraad (GOR).

Bestuurder kan vrijwillig een OR instellen

Ook als er minder dan 50 werknemers zijn, hebben de werknemers inspraak. Meestal in de vorm van een personeelsvergadering (PV) of personeelsvertegenwoordiging (PVT). Een bestuurder kan er echter ook voor kiezen om vrijwillig een OR in te stellen. Voor de rechten en bevoegdheden van de OR maakt het niet uit of de OR verplicht of vrijwillig is ingesteld. Dit betekent ook dat de bestuurder een vrijwillig ingestelde OR niet zomaar kan opheffen. Ontbinden kan alleen als de omstandigheden dusdanig zijn veranderd, dat zij opheffing rechtvaardigen. Zo is bijvoorbeeld een daling van het aantal werknemers alleen een goede reden als de daling structureel is.

Bestuurder kan ontheffing krijgen van instellingsplicht

In bepaalde gevallen kan een bestuurder ontheffing van de instellingsplicht krijgen, ook al telt de organisatie 50 werknemers of meer. Hij kan hiervoor een verzoek indienen bij de Sociaal-Economische Raad (SER). De bestuurder moet met zwaarwegende argumenten komen. De SER kan ontheffing verlenen als er vanwege de aard van de werkzaamheden grote schommelingen zijn in het personeelsbestand of als er een alternatieve medezeggenschapsvorm is, zoals een werknemerszelfbestuur, die naar tevredenheid functioneert. Vaak moet de rechter beslissen of deze alternatieve medezeggenschap voldoet aan de WOR, anders moet de bestuurder alsnog een OR instellen. Een gebrek aan interesse onder de werknemers is in ieder geval geen goed argument.