Franchisegever moet oppassen met voorschrijven prijzen

Een franchisegever probeert in het algemeen een beetje eenheid te houden in de prijzen die zijn franchisenemers hanteren. Maar het is een dunne scheidslijn, want als de prijzen te hard worden opgelegd, kan een rechter oordelen dat dit in strijd is met het kartelverbod. Dat gebeurde onlangs in een zaak voor het gerechtshof in Den Bosch.

25 juni 2018 | Door redactie

Bij franchising is de franchisegever verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de formule en de ondernemers voor de dagelijkse gang van zaken. Franchisegever en franchisenemer sluiten een overeenkomst met daarin wat ieders verantwoordelijkheid is en bijvoorbeeld wat er moet gebeuren bij onenigheid. Veel winkelketens werken volgens deze formule, maar in deze zaak ging het om een organisatie die opleidingen en trainingen aanbood aan overheden en ondernemingen.

Omzetten franchisenemers vallen tegen

Vijf franchisenemers stapten naar de rechter om de franchiseovereenkomst te laten ontbinden. Ze hadden gedacht dat ze toetraden tot een succesvolle franchiseorganisatie, maar dat vonden ze in de praktijk nogal tegenvallen. De franchisegever deed in hun ogen bijvoorbeeld te weinig aan marketing en hun omzetten vielen tegen.
Volgens de ondernemers kwamen die matige omzetten onder meer doordat ze te hoge prijzen moesten hanteren. De franchisenemers waren namelijk ook gebonden aan een huishoudelijk reglement, waarin stond dat zij niet mochten afwijken van de prijslijst en de vastgestelde staffelkortingen. Ook stond er een bepaling in die de franchisegever het recht gaf om een vergoeding in rekening te brengen als de franchisenemer meer korting gaf dan was toegestaan. Naast ontbinding wilden de franchisenemers ook de betaalde vergoedingen terug.

Hof ziet overtreding Mededingingswet

Voor de ontbinding beriepen de franchisenemers zich op het kartelverbod in de Mededingingswet. Volgens hen was er door het huishoudelijk reglement sprake van zogeheten verticale prijsbinding. Daarbij zijn de ondernemers dus gebonden aan de voorgeschreven prijzen.
Het gerechtshof oordeelde dat er inderdaad sprake was van overtreding van de Mededingingswet. Het hof concludeerde dat het huishoudelijk reglement de franchisenemers verplichtte om vaste prijzen te hanteren. En dat strookte niet met de vrije concurrentie. Maar het hof ontbond de franchiseovereenkomst niet. Alleen de delen waarin verticale prijsbinding aan de orde kwam, verklaarde het hof nietig. De franchisenemers hadden dus de overeenkomst na moeten komen. Ook de betaalde vergoeding kregen ze – voorlopig althans – niet terug, omdat de franchiseorganisatie inmiddels failliet was verklaard.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 juni 2018, ECLI (verkort): 2370

Bijlagen bij dit bericht

Financiële administratie
E-learning | VideoCollege 20 minuten
Werken met overeenkomsten
E-learning | VideoCollege 33 minuten