Rechter weegt nieuwe franchisewet al mee bij oordeel

Door een nieuwe wet krijgt de franchisesector te maken met nieuwe regels, onder meer over de informatievoorziening aan ondernemers. De wet moet nog ingaan, maar heeft nu al invloed, zo blijkt uit een recent vonnis van de Amsterdamse rechtbank.

21 oktober 2020 | Door redactie

Bij franchising zijn 2 onderdelen van ondernemen uit elkaar gehaald: de franchisegever zorgt voor een sterke (winkel)formule, de franchisenemer zorgt dat de lokale winkel goed draait. Deze constructie leidt ook geregeld tot heibel. Zo zijn er al diverse rechtszaken geweest van franchisenemers die klaagden dat de omzet (tool) die de franchisegever voorspiegelde helemaal niet haalbaar was.

Nieuwe franchisewet ‘herstelt machtsbalans’

Om de ‘machtsbalans’ tussen franchisegever en franchisenemer te herstellen, heeft het kabinet een nieuwe wet opgesteld. Die stelt onder meer eisen aan de informatie die ondernemers moeten ontvangen vóór zij de franchiseovereenkomst tekenen. Na de Tweede Kamer heeft inmiddels ook de Eerste Kamer de wet aangenomen. Naar verwachting treedt de wet op 1 januari 2021 in werking, al is de definitieve ingangsdatum nog niet gepubliceerd.
Niettemin speelden onderdelen van de wet al een rol bij een kort geding voor de rechtbank in Amsterdam. Daarbij draaide het in de kern om de vraag of de franchisegever de franchisenemer op basis van de overeenkomst mocht verplichten om de winkel om te bouwen naar een nieuwe formule. De franchisegever vond van wel, en toen de ondernemer dat weigerde werd de franchiseovereenkomst eenzijdig opgezegd. Volgens de ondernemer waren er geen expliciete afspraken gemaakt over een verplichte verbouwing. Hij had het zo opgevat dat het niet hoefde als de verbouwing financieel niet haalbaar was. De franchisenemer miste inkomsten door het opzeggen van de overeenkomst en wilde een schadevergoeding.

Afspraken over verbouwing niet concreet genoeg

De rechtbank concludeerde dat de franchisegever de ondernemer in dit geval niet kon verplichten om de winkel te vertimmeren. Over de verbouwing stond niets concreets in de franchiseovereenkomst. Hooguit dat de franchisenemer de winkel ‘up to date’ moest houden. Dat was niet genoeg om een dure verbouwing op te leggen. Al met al vond de kortgedingrechter het voldoende aannemelijk dat een rechter in een latere bodemzaak zal oordelen dat de overeenkomst onrechtmatig was opgezegd. De rechter zag daarvoor ook steun in de nieuwe franchisewet. Hoewel die wet nog niet geldt, verwees de rechter wel naar de ‘nu reeds geldende’ algemene regel dat partijen zich naar elkaar als ‘goed franchisenemer’ en ‘goed franchisegever’ moeten gedragen. De rechter kende de franchisenemer als voorschot een schadevergoeding van € 21.692 toe.
Rechtbank Amsterdam, 30 september 2020, ECLI (verkort): 4799