Ontslag wegens negeren reisverbod is terecht

Een Poolse vorkheftruckchauffeur die het verbod van zijn werkgever om naar zijn thuisland af te reizen negeerde, is terecht ontslagen en heeft geen recht op een vergoeding. Dat oordeelde Rechtbank Limburg in een zaak over reizen in coronatijd.

29 april 2021 | Door redactie

De hardleerse werknemer bleek een fervent verzamelaar van officiële waarschuwingen (tool). Voor verschillende, in ernst wisselende vergrijpen, ontving hij drie officiële brieven met een waarschuwing. Dat de vierde berisping volgens de werkgever ook de laatste zou zijn – hij zou anders op een andere manier ingezet gaan worden – mocht niet baten. Na de vierde, ook ontvangen en ondertekende, waarschuwing ging de werkgever over tot de aangekondigde maatregelen. Hierop meldde de werknemer zich ziek.

Geen gehoor aan verzoek tot contractbeëindiging

Twee maanden later hervatte hij de werkzaamheden weer volledig, ditmaal in het magazijn. Aan het einde van het jaar deelde hij aan zijn werkgever mee te stoppen met werken en met zijn vrouw terug te gaan naar Polen. Aan zijn verzoek om mee te werken aan de beëindiging van zijn contract, zodat hij in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering, wenste de werkgever geen gehoor te geven. Uiteindelijk gaf de werknemer zelf aan zijn contract uit te dienen, om daarna uit dienst te gaan.

Niet langer naar Polen afreizen voor vakantie

Omdat de werknemer bleef kwakkelen met zijn gezondheid en hij zijn afwezigheid niet op de juiste manier communiceerde, vond er een gesprek plaats tussen de werkgever en werknemer. Hierbij was een tolk aanwezig. Tijdens dat gesprek gaf de werkgever aan dat hij niet langer instemde met het afreizen van de werknemer naar Polen voor vakantie, op straffe van ontslag. Dit vanwege de coronapandemie, de daarmee samenhangende verplichte quarantaineperiode (bij terugkeer uit landen met een code oranje of rood als reisadvies) en een gepland onderzoek door de bedrijfsarts.

Zwaarwegend bedrijfsbelang voor verbieden reis

Toen de werknemer niet op kwam dagen bij de bedrijfsarts en toch in Polen bleek te verblijven, ging de werkgever over tot ontslag op staande voet. Hierop stapte de werknemer naar de kantonrechter. Hij meende dat het ontslag onrechtmatig was, aangezien de werkgever het verzoek voor de reis naar Polen had goedgekeurd, en eiste een billijke vergoeding. De rechter ging hier niet in mee. Hij oordeelde dat de werkgever, gezien de toen geldende coronamaatregelen en het feit dat de werknemer zijn werk niet thuis uit kon voeren, een zwaarwegend bedrijfsbelang had bij het verbieden van de reis naar Polen. Ook de eerdere incidenten en het niet komen opdagen bij de bedrijfsarts werd de werknemer zwaar aangerekend. De rechter kende geen vergoedingen toe. Rechtbank Limburg, 1 april 2021, ECLI (verkort): 3110