Rechter verhoogt ontslagvergoeding vanwege coronacrisis

Door de coronacrisis kan het langer duren voordat een werknemer een nieuwe baan vindt. Dit leidde er in een recente rechtszaak toe dat een werknemer vanwege zijn ontslag op staande voet een hogere billijke vergoeding kreeg toegekend door de kantonrechter.

22 oktober 2020 | Door redactie

Vlag EngelsThis news article is also available in English

De werknemer was sinds 1 februari 2016 in vaste dienst bij een bedrijf dat oud papier opkoopt en doorverkoopt. Op 6 mei 2020 werd de werknemer onverwacht op staande voet ontslagen, omdat de werkgever geen vertrouwen meer had in de werknemer. De werkgever verweet de werknemer onder meer dat hij zijn laptop had leeggehaald en vertrouwelijke informatie met de concurrent had gedeeld. De werknemer berustte in het ontslag omdat er geen basis meer was voor een goede samenwerking. Hij eiste wel een verklaring dat de werkgever hem zonder een dringende reden had ontslagen en daarnaast de betaling van onder andere het achterstallige salaris.

Geen dringende reden voor ontslag op staande voet

De kantonrechter verklaarde dat er voor het ontslag op staande voet inderdaad geen dringende reden was, zodat het ontslag in strijd was met artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek. De rechter oordeelde dat de werkgever te weinig bewijs had voor de beschuldigingen aan het adres van de werknemer. Geen van de redenen voor het ontslag, ook als deze in onderlinge samenhang werden bezien, rechtvaardigden het ontslag. De rechter veroordeelde de werkgever tot het betalen van het achterstallige salaris, de vakantiebijslag, de niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding (tool) van ruim € 8.400. Daarnaast kon de werknemer aanspraak maken op de billijke vergoeding.

In huidige situatie langer zoeken naar vergelijkbare baan

Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld door de werknemer op onterechte gronden te ontslaan. Ook keek de rechter naar de termijn waarbinnen de werknemer een andere vergelijkbare baan zou kunnen vinden. Vanwege de nadelige effecten die het coronavirus op de economie zal hebben, schatte de rechter die termijn op 24 maanden. Verder was relevant dat de werknemer aanspraak kon maken op een WW-uitkering en de transitievergoeding. De rechter stelde de billijke vergoeding uiteindelijk vast op een bedrag van € 55.000.
Rechtbank Den Haag, 11 augustus 2020, ECLI (verkort): 9428