Aanzeggen is ook mogelijk via WhatsApp-bericht

Laat u tijdig via een WhatsApp-bericht aan uw werknemer weten of u zijn contract verlengt, dan voldoet u als werkgever aan de aanzegverplichting. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Amsterdam.

6 augustus 2015 | Door redactie

Sinds 1 januari 2015 bent u als werkgever verplicht om minstens één maand voor het verlopen van elke tijdelijke arbeidsovereenkomst die minimaal zes maanden duurt, schriftelijk aan de werknemer te laten weten of u zijn contract verlengt. Deze wettelijke aanzegtermijn is onderdeel van de Wet werk en zekerheid. Inmiddels zijn er meerdere uitspraken over de aanzegtermijn gepubliceerd. 

Geen boete voor werkgever

In een zaak bij Rechtbank Amsterdam had een werkgever per brief aan een werkneemster gemeld dat hij het contract niet zou verlengen, maar door omstandigheden wilde de werkgever het contract ook al vroegtijdig beëindigen. Omdat de werkneemster niet meer op het werk verscheen, kondigde de werkgever zijn voornemen aan via WhatsApp. De werkneemster gaf hierop de reactie dat de organisatie haar niet kon ontslaan. Toen het later tot een kort geding kwam, kreeg de werkneemster hierin gelijk.
De boete voor het niet voldoen aan de aanzegplicht hoefde de werkgever echter niet te betalen. Hoewel de werkgever niet kon bewijzen dat de werkneemster de aanzegbrief had ontvangen, voldeed de werkgever toch aan de aanzegplicht omdat de werkneemster op het WhatsApp-bericht had gereageerd. Uit dit bericht kon zij concluderen dat ze geen contractverlenging zou krijgen. 

Cruciaal dat werknemer aanzegging ontvangt

Doorslaggevend was dus dat de werkneemster het bericht had gelezen. Ook in een andere zaak bij de kantonrechter in Rotterdam was het ontvangen van het bericht cruciaal toen bleek dat de werkgever niet kon bewijzen dat de aanzegbrief was aangekomen. Een latere mondelinge mededeling volstond niet.
U doet er daarom goed aan om een aanzegbrief per aangetekende post te versturen of om in de arbeidsovereenkomst al uitsluitsel te geven. 
Rechtbank Amsterdam, 10 juni 2015, ECLI (verkort): 3968