Vast contract niet op voorhand beëindigen

Bij het aangaan van een vast contract met uw werknemer mag u niet direct een beëindigingsovereenkomst afsluiten. Werkgevers maken gebruik van deze schijnconstructie om de ketenbepaling te omzeilen. De Hoge Raad heeft hier nu een stokje voor gestoken.

28 januari 2015 | Door redactie

In 2013 was de schijnconstructie onderwerp in een rechtszaak. Een werknemer had na het aflopen van zijn derde tijdelijke contract een vast contract gekregen. Bij het ondertekenen van dit vaste contract had de werknemer ook een beëindigingsovereenkomst ondertekend. Deze bepaalde dat het contract op een bepaald moment met wederzijds goedvinden zou aflopen. In feite ondertekende de werknemer dus een vierde tijdelijk contract. Hij deed dit om de baan niet te verliezen. 

Hoge Raad maakt einde aan schijnconstructie

De werknemer stapte na afloop van het ‘vaste’ contract naar de rechter. Die beoordeelde de beëindigingovereenkomst als nietig. Toen de werkgever in hoger beroep ging, werd de constructie echter alsnog rechtsgeldig verklaard. De werknemer ging daarna in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch herzien en bepaald het arrest te vernietigen. U zou een dergelijke constructie dus niet meer kunnen toepassen als u een werknemer geen vast contract wilt geven, terwijl u dit wel verplicht bent vanwege de ketenbepaling. De uitspraak is belangrijk, zeker nu de regels voor de ketenbepaling per 1 juli 2015 gaan veranderen. Vanaf die datum heeft een werknemer namelijk al na twee jaar in plaats van drie jaar dienstverband recht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Hoge Raad, 9 januari 2015, ECLI (verkort): 39