Wegens psychose geen ontslag voor 'saboterende' werknemer

In een zaak bij Rechtbank Rotterdam wilde een werkgever een arbeidsovereenkomst laten ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. Zijn ontslagverzoek werd echter afgewezen omdat de betreffende werknemer zich alleen ongepast had gedragen tijdens een psychose.

5 november 2021 | Door redactie

Soms is de vraag in welke mate ongepast gedrag een werknemer kan worden aangerekend. Een werknemer in een zaak bij Rechtbank Rotterdam had tijdens een psychose een gesprek gevoerd met zijn werkgever. Dat ging over een eerdere audit voor ISO-certificering. In het gesprek gaf de werknemer aan dat hij bij de audit bewust zaken had gesaboteerd, waardoor er tekortkomingen waren geconstateerd bij de organisatie. Ook had de werknemer beschuldigingen geuit en verwijten gemaakt richting de werkgever. Daarna werd de werknemer onwel en werd hij naar huis gebracht. Omdat de werkgever van mening was dat de gebeurtenissen het vertrouwen in de werknemer ernstig hadden geschaad, verzocht hij de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op basis van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (artikel).

Geen bewijs voor sabotage van werknemer

De werknemer meende dat hij tijdens het gesprek de grip op de realiteit was kwijtgeraakt doordat hij in een, achteraf vastgestelde, psychose verkeerde. Hij kon niet goed terughalen wat er gezegd en gebeurd was. Als hij in het gesprek gezegd zou hebben dat hij bewust zaken verkeerd had laten lopen, berustte die uitspraak niet op de waarheid.
De kantonrechter stelde vast dat de werkgever het ontbindingsverzoek voornamelijk baseerde op het gesprek waarin de werknemer claimde de audit opzettelijk te hebben gesaboteerd. Uit niets bleek dat de werknemer daadwerkelijk de boel had tegengewerkt. De ongepaste uitlatingen konden de werknemer niet aangerekend worden, omdat deze onder invloed van een psychose waren gedaan. Als er hierdoor al een verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan, was deze niet ernstig genoeg om een ontslag te rechtvaardigen. Het verzoek werd dan ook afgewezen.
Rechtbank Rotterdam, 3 september 2021, ECLI (verkort): 9656