Aantal oproepkrachten neemt toe ondanks WWZ

Het aantal werknemers met een oproepcontract is de afgelopen jaren flink gestegen. De nieuwe regels voor oproepkrachten uit de Wet werk en zekerheid (WWZ) blijken deze trend vooralsnog niet te keren.

29 september 2016 | Door redactie

In de periode 2010-2015 zijn er 143.000 werknemers met een oproepcontract bij gekomen, zo meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze stijging van 36% bracht het aantal oproepkrachten in 2015 op 546.000, zo’n 7% van alle werknemers in Nederland. Hoewel een deel van de oproepkrachten liever een vaste baan wil, is de toegenomen populariteit van het oproepcontract niet per se slecht nieuws: het grootste deel van de stijging vond plaats in de leeftijdscategorie 15 tot en met 24 jaar. Veel jongeren geven de voorkeur aan een oproepcontract vanwege de flexibiliteit die het biedt. Dit geldt eveneens voor 65-plussers.

Ook in 2015 (lichte) stijging van aantal oproepkrachten

Omdat een oproepkracht relatief veel inkomensonzekerheid heeft, introduceerde het kabinet via de WWZ nieuwe regels voor het oproepcontract. De oproepkrachten hebben sindsdien meer zekerheid, terwijl het oproepcontract voor werkgevers minder voordelig is. Oproepcontracten worden echter gemiddeld gezien (nog) niet minder gebruikt. In 2015 nam het aantal oproepcontracten – zoals het nulurencontract (tool) en min-maxcontract (tool) – licht toe, net als in de jaren daarvoor.

Invloed van Wet werk en zekerheid nog onduidelijk

Wel golden de nieuwe regels voor de loondoorbetaling alleen voor oproepcontracten die op of na 1 januari 2015 werden afgesloten en was de striktere ketenbepaling (tools) pas vanaf 1 juli 2015 van toepassing. Het is dus nog de vraag hoe deze vorm van flexibel werk (tools) zich zal ontwikkelen. In sommige sectoren hebben werkgevers en werknemers hierover aparte afspraken gemaakt. Zo is in de zorg overeengekomen dat werkgevers zo min mogelijk gebruikmaken van nulurencontracten.