Overwerkopdracht nodig voor betaling overuren

Of een werknemer met succes een vordering tot betaling van overuren kan indienen, is onder meer afhankelijk van hetgeen in de cao is bepaald. Dit blijkt uit een zaak bij Gerechtshof Den Haag.

29 januari 2016 | Door redactie

In de zaak vorderde een docente betaling van overwerk dat zij tijdens enkele jaren had verricht. De werkneemster kampte structureel met een te hoge werkdruk. In de cao was bepaald dat haar school een taakbeleid moest opstellen waarin het aantal arbeidsuren over diverse taken werd verdeeld. Hoewel de school voor dit taakbeleid had gezorgd, vond de werkneemster de hoeveelheid werk uit dit taakbeleid onrealistisch. De school was het daar niet mee eens en stapte naar de kantonrechter, wat uiteindelijk tot ontbinding (tool) leidde.

Werkgever heeft geen overwerkopdracht gegeven

De vraag of de werkgever na de ontbinding nog de overuren moest uitbetalen, belandde bij het hof in Den Haag. Het hof stelde vast dat de werkgever geen overwerkopdracht had gegeven. Op basis van de cao had de werkneemster deze wel moeten ontvangen als ze voor een overwerkvergoeding in aanmerking wilde komen. Volgens de werkneemster had de werkgever deze opdracht echter indirect gegeven door haar via het taakbeleid een takenpakket toe te bedelen dat zij niet binnen haar arbeidsuren zou kunnen uitvoeren.

Vordering op basis van goed werkgeverschap

De werkneemster achtte een uitbetaling op basis van het goed werkgeverschap rechtvaardig, maar daar ging het hof niet in mee. Het taakbeleid voldeed aan de cao-eisen doordat het was vastgesteld met de medezeggenschapsraad, de goedkeuring had gekregen van twee derde van de werknemers en de uitvoering ervan regelmatig werd geëvalueerd. Omdat de werkneemster niet concreet maakte dat het schoolbeleid niet rijmde met de cao of dat zij onevenredig werd belast in vergelijking met collega’s, wees het hof de vordering af. Hierbij was ook nog van belang dat de school had geprobeerd om de ervaren werkdruk (tool) bij de docente op diverse manieren weg te nemen.
Gerechtshof Den Haag, 26 januari 2016, ECLI (verkort): 77