VERDIEPINGSARTIKEL

Pensioenopties voor de dga

Heeft u een bucketlist? Zo’n lijstje kietelt de fantasie en helpt dromen waar te maken. Meestal kom je pas aan je bucketlist toe als je stopt met werken.

Maar laat uw financiële situatie het tegen die tijd wel toe om pakweg met een gehuurde kampeerbus naar de Noordkaap te rijden of een ‘opknap-kasteel’ te kopen? De algemene vraag die zich opdringt is: hoe kan ik als directeur-grootaandeelhouder (dga) zorgen voor een financieel onbekommerde oude dag?


1 juli 2020 10 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en Martin Gast, financieel planner en pensioenconsultant bij M&M Financieel Advies, martin@mm-fa.nl.


Wat een goed verzorgde oude dag is, is voor iedere dga anders. Waar de ene dga genoeg heeft aan een inkomen op bijstandsniveau, kan de andere dga hier nog niet eens een week boodschappen van betalen. Kortom: wat ‘goed verzorgd’ is hangt vooral af van de persoonlijke leefstijl, wensen en doelen.

Nadat u heeft bepaald wat voor u een comfortabele levensstijl is en welke doelen u in uw leven heeft, kunt u gaan zoeken naar wegen om dit te bereiken. In dit artikel komen enkele van die wegen aan de orde. Daarbij moet wel direct worden aangetekend dat geen van de genoemde mogelijkheden de enige en ultieme mogelijkheid is.

Volledige financiële situatie bezien

Om te bepalen wat de meest passende optie of opties zijn voor u is een gedegen planning nodig, waarin uw complete financiële situatie is meegenomen. Zaken als de waarde van de bv, de waarde van het eigen huis, de stand en de maandlasten van de bijbehorende hypotheek, te verwachten erfenissen en dergelijke spelen allemaal een rol bij het advies rondom oudedagsvoorzieningen.

De eerste keuze die u moet maken is of de inleg – of een deel daarvan – de bv kan en mag verlaten of niet. Heel kort door de bocht: als u verwacht dat u het ‘pensioengeld’ (deels) nog voor andere zaken in uw bv wilt gebruiken, kiest u ervoor om (een deel van) de inleg in de onderneming te houden.

Bezittingen bv van belang bij pensioen

Voorheen kozen veel dga’s ervoor om pensioen op te bouwen in de eigen bv. Maar sinds 1 april 2017 is dat niet meer mogelijk. Voor het al opgebouwde pensioen in eigen beheer moest de dga daarom kiezen uit deze 3 mogelijkheden:

  1. Ongewijzigd in stand laten (premievrij maken)
  2. Afkopen (met fiscaal voordeel tot en met 2019)
  3. Omzetten in een oudedagsverplichting (ODV), was mogelijk tot eind 2019

Bij het opbouwen van pensioen in eigen beheer lag de focus meestal op de fiscale voordelen via de passiefzijde van de balans (de middelen). Want door het opbouwen van pensioen in de eigen bv werd een pensioenreserve gevormd.

Dat leverde een aantrekkelijke jaarlijkse besparing aan vennootschapsbelasting (VPB) op zonder dat daar een cashflow (premie) tegenover stond. Het pensioen van de dga werd dus fiscaal en pensioentechnisch goed in elkaar gesleuteld. Daarbij werd alleen minder aandacht besteed aan de actiefzijde (de bezittingen) van de balans.

Meer aandacht geven aan de actiefzijde is bijzonder relevant. Want uiteindelijk bepaalt de actiefzijde – anders  gezegd: hoeveel geld is er concreet beschikbaar – of en hoe het pensioen straks daadwerkelijk kan worden betaald! En dat vraagt om een passende (beleggings-)strategie die gericht is op het behalen van de pensioendoelen met het beschikbare geld.

Toelichting pensioenreserve op de balans

Bij de opbouw van pensioen in eigen beheer moest jaarlijks de fiscale waarde van het toegezegde pensioen worden gereserveerd op de passiefzijde van de balans. Op grond van de Wet Loonbelasting moest voor de berekening van deze reserve rekening worden gehouden met een rente van 4% op de pensioendatum.

Voor een levenslange pensioenuitkering van bijvoorbeeld € 10.000 vanaf de pensioendatum stond een fiscale reserve € 90.640. Omdat de rente al geruime tijd erg laag staat is er op dit moment een bedrag van € 370.289 nodig aan de actiefzijde van de balans om de pensioenuitkering daadwerkelijk te kunnen uitkeren.

Winstreserve vormen voor pensioen

Dat opbouwen van pensioen in eigen beheer niet meer mag, wil niet zeggen dat u helemaal geen mogelijkheden meer heeft binnen uw bv. De vorming van een (extra) winstreserve kan een alternatief zijn voor de vorming van een oudedagsreserve.

Hierdoor ontstaat een oudedagsvoorziening voor de dga met de volgende kenmerken:

  1. Geheel flexibel geld inleggen, waarbij het uiteindelijke pensioendoel leidend is. Het ene jaar kan er dus wat meer, terwijl in het volgende jaar misschien wat minder beschikbaar is.
  2. Geheel flexibel uit te keren zolang er maar geld beschikbaar is, dus zonder allerlei fiscale regels. Dus het ene jaar een bedrag X en het andere jaar een bedrag Y. Geen beperking in hoogte en duur dus. In feite wordt het uitgestelde dividend uitgekeerd en gebruikt voor een oudedagsvoorziening.
  3. Een belastingdruk over de uitkeringen in 2020 van maximaal 44,69% maar in veel gevallen 38,42%. Eerst moet u 16,5% of 25% VPB afdragen over de behaalde winst en vervolgens betaalt u nog 26,25% belasting in box 2 van de inkomstenbelasting.
  4. Lage kosten in de uitvoering en het bijhouden van de reserve.
  5. Het gereserveerde geld blijft beschikbaar voor de onderneming.

Gevaar op ‘greep in de pensioenkas’

Klinkt niet onaantrekkelijk toch? Zeker in vergelijking met het ‘echte’ pensioen in eigen beheer. Daar zaten op grond van de fiscale wetgeving forse beperkingen aan vast rondom de uitkeringen (vast, regelmatig en levenslang). De wetgeving daarvan is nog altijd enorm complex en de uitvoeringskosten relatief hoog.

Toch is het opbouwen van een winstreserve niet per se dé manier om een oudedagsvoorziening op te bouwen. Er kleven ook de nodige nadelen aan. In een crisistijd is het soms alle financiële hens aan dek om te overleven. Een greep in de ‘pensioenkas’ kan dan onvermijdelijk worden.

Kortom: hoewel dit dus een mooie en fiscaal aantrekkelijke methode kan zijn, kleven er gevaren aan. En dan vooral het gevaar dat u door omstandigheden aan het eind van de rit alsnog niet de oudedagsvoorziening heeft die u voor ogen had.

Dga valt (nog) buiten bescherming Pensioenwet

U kunt er ook voor kiezen om de oudedagsvoorziening buiten de bv op te bouwen. Zo staat die ook los van de onderneming.

Eerst even een korte schets van het wettelijke kader. Een dga is een werknemer in zijn eigen bv. Maar wel een hele bijzondere. Allerlei sociale wetgeving is gesloten voor de dga, maar dat geldt niet voor pensioen.

De regels rondom pensioen zijn vastgelegd in de Pensioenwet (PW) en de Wet op de Loonbelasting. De PW is met name bedoeld om de pensioenen van werknemers te beschermen. Zo is het pensioen bijvoorbeeld bij een faillissement beschermd.

Toen de PW in 2007 in werking trad, is de dga daar niet in opgenomen. Een beweegreden daarvoor was dat de dga zijn pensioenvoorziening in eigen beheer kon opbouwen en daardoor de extra bescherming vanuit de PW niet nodig had.

Nu deze mogelijkheid sinds 2017 niet meer bestaat, zou dat ervoor pleiten om de dga alsnog op te nemen in de PW. Naar verluidt is in de onderhandelingen rondom het pensioenakkoord besloten dat het de bedoeling is om de dga weer wél op te nemen in de PW.

Naast de extra bescherming van de pensioenrechten zou dit er ook toe leiden dat de rechten van de partner van de dga beter afgeschermd zouden zijn. Ook zou de dga dan kunnen deelnemen aan de voor de overige werknemers afgesloten pensioenregeling (infographic).

Dat is nu niet altijd mogelijk, omdat de PW van toepassing is op de lopende pensioenregeling. De dga moet daarom vaak het pensioen extern verzekeren. Dat is duurder en beperkt het aantal aanbieders.

Pensioenverzekering voor dga

Toch is het extern verzekeren van het pensioen voor een dga een goede mogelijkheid om (een deel van) de oudedagsvoorziening veilig te stellen.

Naast sparen voor de oude dag kunt u ook het nabestaandenpensioen binnen een verzekerde pensioenregeling op een veilige en passende manier verzekeren. Dit kan een van de afwegingen zijn om ervoor te kiezen de oudedagsvoorziening geheel of gedeeltelijk buiten de eigen bv te brengen.

Bij een verzekerde pensioenregeling voor een dga maakt de bv de berekende inleg direct over aan de gekozen pensioenverzekeraar. Hierbij wordt meestal gekozen voor het zogeheten beschikbare premiesysteem.

Het berekenen van de inleg gaat op basis van een premiestaffel. De Belastingdienst past deze staffels regelmatig aan op gewijzigde wet- en regelgeving rondom pensioen. Denk aan de oplopende pensioenleeftijd.

In dit systeem stijgt het percentage van het salaris dat u kunt inleggen naarmate de leeftijd stijgt. De verzekeraar belegt de inleg, en het bedrag dat zo wordt opgebouwd moet worden gebruikt voor de aankoop van een pensioenuitkering.

Voorbeeld pensioenverzekering

Een 40-jarige dga besluit haar pensioenvoorziening onder te brengen bij een verzekeraar. Het salaris uit haar bv bedraagt € 50.000.

De maandelijks in te leggen bedragen hebben het volgende verloop:

PeriodePremie
1-6-2020 tot 1-1-2021 € 418,05
1-1-2021 tot 1-1-2022 (jaar 1) € 418,05
1-1-2022 tot 1-1-2023 (jaar 2) € 418,05
1-1-2023 tot 1-1-2024 (jaar 3) € 418,05
1-1-2024 tot 1-1-2025 (jaar 4) € 418,05
1-1-2025 tot 1-1-2026 (jaar 5) € 486,73
1-1-2030 tot 1-1-2031 (jaar 10) € 570,34
1-1-2035 tot 1-1-2036 (jaar 15) € 668,88
1-1-2040 tot 1-1-2041 (jaar 20) € 791,31
1-1-2045 tot 1-1-2046 (jaar 25) € 916,73

Als op de beleggingen gemiddeld jaarlijks een rendement wordt behaald van 4% levert dit op de pensioendatum een pensioenkapitaal op van € 327.087,95. Hiervoor kan volgens de huidige maatstaven een levenslang ouderdomspensioen worden aangekocht van € 16.000,58 per jaar.

Kapitaal opbouwen met lijfrente

Een volgende mogelijkheid om een oudedagsvoorziening op te zetten is de lijfrente. Hiervoor moet de bv wel eerst salaris en/of dividend uitkeren aan u als dga. De lijfrente regelt u namelijk in privé. Met een lijfrente spaart u een bedrag bij elkaar waarmee u op een later moment een periodieke oudedagsuitkering ‘aankoopt’.

Voor de lijfrente wordt jaarlijks een zogeheten jaarruimte berekend. Die geeft aan hoeveel lijfrente-inleg u op uw inkomen in mindering mag brengen in uw aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst heeft hiervoor een rekenmodule op de site staan.

Vervolgens moet u kiezen of u inleg stort bij een verzekeraar, bank of beleggingsinstelling. Die keuze is dus een verschil met de pensioenverzekering, want die kunt u alleen bij de verzekeraar krijgen. Daarnaast is de pensioenverzekering altijd levenslang en is de lijfrente er in meer smaken.

Kiest u ervoor om de jaarlijkse inleg bij een verzekeraar onder te brengen, dan kunt u ook direct afspreken dat er een voorziening wordt verzekerd voor de nabestaanden. Kiest u voor een bank of beleggingsinstelling dan valt het opgebouwde vermogen na overlijden in de nalatenschap. Dan wordt het dus verdeeld volgens het testament of het erfrecht.

Rekenvoorbeeld lijfrente

Een 40-jarige dga besluit zijn pensioenvoorziening op te bouwen door middel van een maandelijkse lijfrentestorting. Zijn salaris uit zijn bv bedraagt € 50.000.

Vanuit de berekende jaarruimte kan hij tot zijn pensioendatum maandelijks een bedrag inleggen ter grootte van € 418,16. Als hij deze inleg stort in zogenoemd lijfrentebeleggingsrecht, levert hem dit een lijfrentekapitaal op van € 226.889.

Ook hierbij is rekening gehouden met een gemiddeld jaarlijks rendement van 4%. Voor dit kapitaal kan volgens de huidige maatstaven een levenslange oudedagslijfrente worden aangekocht van € 10.802,04 per jaar.

Levenslange uitkering?

Bij een lijfrente komt op, of uiterlijk 5 jaar na de AOW-leeftijd, een bedrag beschikbaar. Met dat bedrag koopt u een lijfrente-uitkering aan bij een verzekeraar, bank of beleggingsinstelling.

De uitkeringsduur is afhankelijk van de vorm en de uitvoerder. Zo kunt u kiezen voor een levenslange oudedagslijfrente. Deze is bij een verzekeraar daadwerkelijk levenslang.

Bij een bank of beleggingsinstelling moet de uitkering minimaal 20 jaar lopen, gerekend vanaf de AOW-leeftijd. Eerder kan ook. Maar voor elk jaar dat de oudedagslijfrente eerder ingaat dan de AOW-leeftijd komt er 1 jaar extra looptijd bij.

Naast de levenslange oudedagslijfrente kunt u ook kiezen voor de tijdelijke oudedagslijfrente. Deze heeft een looptijd van minimaal 5 jaar en de jaarlijkse uitkering is gemaximeerd tot € 22.089 in 2020.

Sparen en beleggen voor pensioen

Als laatste, maar zeker niet de minste mogelijkheid is er natuurlijk nog sparen en beleggen in box 3 van de inkomstenbelasting.

Net als bij de lijfrente moet de bv dan wel eerst salaris en/of dividend uitkeren. Vervolgens stort u de inleg op een spaar- of beleggingsrekening, of u belegt het rechtstreeks in bijvoorbeeld (verhuurd) vastgoed.

Sparen levert momenteel geen duizelingwekkende rendementen op. Maar als u kiest voor de optie banksparen betaalt u in elk geval tijdens de opbouw geen belasting in box 3.

Ook kunt u denken aan een systeem met verschillende ‘potjes’, waarbij u het potje voor de korte termijn relatief risicoloos belegt of op een spaarrekening zet. Met het potje met geld voor de lange termijn kunt u nog iets meer risico nemen – en daarmee hopelijk ook een hoger rendement behalen – omdat u een langere horizon heeft.

Zodra de pensioenleeftijd is bereikt, kan uit het aanwezige vermogen worden opgenomen naar behoefte. Of vormt het behaalde rendement op het vermogen (deels) het inkomen.

Veranderingen in box 3 op komst

In september 2019 heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat de belastingheffing in box 3 vanaf 2022 ingrijpend zou gaan veranderen. Daarbij zouden spaarders en mensen met een kleiner vermogen ontzien, terwijl beleggers en mensen met een groter vermogen zwaarder worden belast.

Inmiddels is duidelijk dat dit voorstel van tafel is gehaald. Op Prinsjesdag 2020 komt de staatssecretaris met een nieuw voorstel voor de toekomst van box 3.

Hoe dit alles er straks uit komt te zien is nu dus nog niet duidelijk. Dit kan uiteraard wel grote invloed hebben op de keuze hoe het vermogen wordt belegd.

Conclusie

Nadenken over je bucketlist is en blijft altijd leuk. Nadenken over hoe u het afvinken van uw bucketlist financiert is complex en veelzijdig. Het is daarbij van belang om alle wensen en doelen, maar ook fiscale zaken en passende mogelijkheden de revue te laten passeren.