AOW-leeftijd hoeft niet nóg verder omhoog

Het is voorlopig niet nodig om de AOW-leeftijd meer te laten stijgen dan in de huidige wetgeving is afgesproken. Dat blijkt uit een nieuwe prognose van de levensverwachting van Nederlanders. Ook zal de nieuwe prognose weinig impact hebben op de dekkingsgraden van de pensioenfondsen.

25 september 2014 | Door redactie

Uit de Prognosetafel 2014 van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) – de Nederlandse beroepsvereniging van actuarissen – blijkt dat de levensverwachting van Nederlanders blijft stijgen, terwijl de sterftekans blijft dalen. De levensverwachting voor een man die in 2014 wordt geboren is 89,9 jaar en voor een vrouw is dat 92,2 jaar. Daarmee is er sprake van een stijging van de levensverwachting, maar die verloopt nog wel zoals eerder al werd voorspeld.

Hogere AOW-leeftijd na 2024 is niet nodig

De AOW-leeftijd bouwt de komende jaren stapsgewijs op naar een leeftijd van 67 jaar in 2023. Daarna wordt die gekoppeld aan de levensverwachting. Ook heeft het kabinet nog plannen liggen om de AOW-leeftijd sneller te laten stijgen. Dan zou de AOW-leeftijd in 2021 al op 67 jaar uitkomen. Zoals het er nu naar uitziet is een verdere verhoging van de AOW-leeftijd in 2024 voorlopig nog niet nodig volgens het AG.

Weinig impact op dekkingsgraden pensioenfondsen

Omdat de nieuwe prognose overeenkomt met de prognose die in 2012 is gegeven, verwacht het AG ook dat er geen aanpassingen nodig zijn in de technische voorzieningen (de voorzieningen om de pensioenverplichtingen na te komen) van de pensioenfondsen en verzekeraars. Of er aanpassingen nodig zijn, hangt vooral af van de verhouding tussen het aantal jonge en oude deelnemers en de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen. Bij pensioenfondsen met relatief veel jongeren en relatief veel vrouwen is een lichte stijging van de pensioenvoorzieningen mogelijk.