Oudedagssparen in eigen beheer heeft voorkeur

Recent heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over twee mogelijke alternatieven voor het pensioen in eigen beheer: de oudedagsbestemmingsreserve (OBR) en het oudedagssparen in eigen beheer. Uit deze brief blijkt dat de staatssecretaris op dit moment meer ziet in het alternatief van het oudedagssparen.

6 juli 2015 | Door redactie

De staatssecretaris heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer twee oplossingsrichtingen voor het pensioen in eigen beheer uitgewerkt. De eerste optie is de OBR. Dit moet een faciliteit binnen de vennootschapsbelasting worden. De bv doteert dan jaarlijks een bedrag (ten laste van de winst) aan een reserve, waarmee de directeur-grootaandeelhouder op zijn pensioendatum een lijfrente koopt. Het opgebouwde geld blijft binnen de bv als eigen vermogen, want de bv heeft, anders dan nu, geen juridische verplichting om het geld aan te wenden voor het pensioen.

Oudedagssparen als verplichting op de balans

De tweede variant is het oudedagssparen in eigen beheer. Hiermee wordt jaarlijks een percentage van het loon opzij gezet ten behoeve van het pensioen. Deze pot komt als een verplichting op de balans te staan. Het geld kunt u tijdens de opbouwfase dan niet gebruiken voor andere doeleinden. Uiteindelijk moet u ook met dit potje een lijfrente aankopen. Het grote verschil met de OBR is dat bij het oudedagssparen oprenting plaatsvindt tijdens de opbouwfase, op basis van de marktrente. Deze mogelijke oplossingsrichtingen hoeven echter nog niet het definitieve einde van het bestaande pensioen in eigen beheer te betekenen. De staatssecretaris geeft voor beide varianten aan dat het denkbaar is dat de nog bestaande aanspraken blijven staan en bevroren worden.

Oudedagssparen eenvoudiger uitvoerbaar

In zijn brief spreekt de staatssecretaris expliciet de voorkeur uit voor het oudedagssparen in eigen beheer vanwege de voordelen die hij ziet ten opzichte van de OBR. De staatssecretaris vindt het oudedagssparen eenvoudiger uitvoerbaar. Bovendien beperkt deze variant het ingewikkelde verschil tussen de commerciële en fiscale waardering van het pensioen tijdens de opbouwfase. Tot slot wil de staatssecretaris, zoals hij al eerder aankondigde, het alternatief voor het pensioen in eigen beheer per 1 januari 2016 als wet in werking laten treden, hoewel hij vindt dat zorgvuldigheid boven snelheid gaat. Hij wil daarom met de Tweede Kamer overleggen over de definitieve ingangsdatum.