VERDIEPINGSARTIKEL

Wees voorbereid op de aanstaande pensioenwijzigingen

Er staat veel te gebeuren rondom het pensioen van de werknemer: de premieovereenkomst als nieuwe standaard, leeftijdsonafhankelijke pensioenpremies, een uniform partnerbegrip en nog veel meer. Tijd kan op dit moment in uw voordeel werken.

Door de kennis rondom de wijzigingen in een vroeg stadium tot u te nemen, bezinkt het op tijd. In dit artikel leest u meer over de aanstaande wijzigingen.


20 mei 2021 8 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en is geschreven door Dirk-Jan Plate, pensioenadviseur bij ­Pensioenlogica, www.pensioenlogica.nl en www.pensioentransitieplan.nl


In Salaris Rendement 1-2021 las u over de wijziging van het pensioenkarakter. De zekerheden die nu nog voor een groot deel van de pensioenregelingen gelden, komen te vervallen doordat de zekerheden door de lage rente niet meer te betalen zijn.

Alle risico’s komen voor­taan bij de deelnemers te liggen, maar het doel blijft hetzelfde: een adequaat pensioen. Dit is bij 40 dienstjaren gelijk aan 75% van het gemiddelde salaris tijdens het dienstverband. In Salaris Rendement 3-2021 las u over de toegenomen keuzemogelijkheden.

Dit artikel gaat over de aanstaande wijzigingen en welke zaken mogelijk voor de salaris-administrateur direct of indirect van belang zijn. In de kaders leest u over het partnerbegrip, partnerpensioen en de begeleiding door de pensioenuitvoerder.

De nieuwe situatie

In de nieuwe situatie wordt de premieovereenkomst de standaard en deze wordt in verschillende varianten beschikbaar gesteld. Voor alle varianten geldt dat het voortaan om een vaste premie-inleg moet gaan. Dit heeft als voordeel dat het voor werkgevers makkelijker is te budgetteren.

Het moet voortaan om een vaste premie-inleg gaan

Alleen de aanvullende verzekeringsdekkingen zoals de verzekering van het overlijden vóór pensioendatum (partnerpensioen) en een premievrije opbouw bij arbeidsongeschiktheid zullen qua premie jaarlijks licht stijgen, als de gemiddelde leeftijd toeneemt en het risico op overlijden en arbeidsongeschiktheid daardoor toeneemt.

Voor nieuwe deelnemers mag de premie niet meer leeftijdsafhankelijk stijgen. Alleen voor bestaande deelnemers is onder voorwaarden nog een stijgende premie mogelijk. Een stijgende premie was voorheen bedoeld om voor ouderen het gemis aan toekomstige rendementsjaren goed te maken. Vanaf 2027 is dat niet meer mogelijk.

De werkgever legt dan voor een jongere en oudere met hetzelfde salaris dezelfde premie in: een leeftijdsonafhankelijke premie dus. Dezelfde inleg van jongeren kan echter langer renderen waardoor zij meer pensioen opbouwen: een zogenoemde degressieve opbouw.

Ongehuwd samenwonenden zijn straks ook zonder overeenkomst elkaars partner

Als er een partnerpensioen wordt aangeboden, is het van belang dat er geen discussie ontstaat over het partnerbegrip. Dat er op dit moment verschillende pensioenregelingen zijn die hun eigen partnerbegrip hanteren leidt tot verwarring en teleurstellingen. Het kan zijn dat een pensioenregeling van ongehuwd samenwonenden eist dat er een notariële samenlevingsovereenkomst tot stand is gekomen. Als dit bij de werknemer en zijn partner niet het geval is, wordt er bij overlijden dus geen partnerpensioen uitgekeerd.

Zorg dragen
Na doorvoering van de wijzigingen vervalt de voorwaarde dat het om een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst moet gaan. Daarnaast worden ongehuwd samenwonenden zonder notariële samenlevingsovereenkomst dan als partners gezien. Zij moeten wel minimaal zes maanden samenwonen en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.

 

Let wel op dat veel pensioenuitvoerders tijdig op de hoogte willen zijn van het bestaan van een partner, anders keren zij mogelijk alsnog niets uit. Deze voorwaarde verandert niet.

Compensatie voor de leeftijdscategorie 40 tot 50 jaar

De pijn van de leeftijdsonafhankelijke premie zit niet bij de ouderen, die hebben hoogstwaarschijnlijk inmiddels al voldoende pensioen opgebouwd. En ook jongeren varen er wel bij.

De groep in de leeftijdscategorie 40 tot 50 jaar voelt wel de pijn: zij hebben jarenlang te veel premie betaald om daarmee de premie voor de ouderen laag te houden en worden nu gedupeerd. In het overleg tussen de werkgever, werknemers, vakbonden en ondernemingsraden wordt dit het punt van aandacht. Een compensatie lijkt zeker voor deze groep redelijk en zal ervoor zorgen dat zij sneller met de voorgestelde pensioentransitie zullen instemmen.

De pijn zit bij de groep in de leeftijdscategorie 40 tot 50 jaar

De maximale premie wordt 30% van de pensioengrondslag. Tijdelijk mag deze zelfs 33% van de pensioengrondslag bedragen om daarmee de compensatie (deels) te financieren. Of deze 30% echt nodig is, is onder andere afhankelijk van de gemiddelde leeftijd van het deelnemersbestand.

Een jonger bestand zal met een minder hoog percentage hetzelfde pensioen kunnen bereiken dan een deelnemersbestand met een hoger leeftijdsgemiddelde. In dat laatste geval kan de premie minder lang renderen en mag de pensioenuitvoerder ook minder risico met de premie-inleg nemen.

Typen premieregelingen

In de nieuwe situatie zijn vier typen premieregelingen mogelijk, maar de meest gebruikte varianten zullen ‘het nieuwe contract’ en ‘de verbeterde premieregeling’ zijn. Veel pensioenfondsen kiezen naar verwachting voor het nieuwe contract.

Het geld blijft dan bij het pensioenfonds: het pensioen kan dus niet vanaf pensioendatum worden overgedragen naar een aanbieder die mogelijk net iets meer biedt. De pensioenuitkering zelf is variabel en de risico’s worden gespreid en leeftijdsafhankelijk gedragen. Belangrijk element is een ‘schokdemper’ in de vorm van een solidariteitsreserve.

De verbeterde premieregeling bestaat al. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen bieden deze nu al aan. Nadat de nieuwe wetgeving in werking treedt, kunnen ook pensioenfondsen deze variant aanbieden. Hierbij kan de deelnemer er tijdens de opbouw zelfs voor kiezen om zelf zijn beleggingen samen te stellen, binnen de fondsen die de pensioenuitvoerder aanbiedt.

Dit kan zolang zijn persoonlijk pensioenvermogen nog niet is omgezet naar het collectieve vermogen. Vanaf pensioendatum kan hij naast een variabele uitkering ook voor een vaste uitkering kiezen.

Pensioenuitvoerders gaan straks begeleiden bij de keuze

De aanstaande pensioengerechtigde heeft steeds meer te kiezen: eerder of later met pensioen, meer partnerpensioen ten koste van het ouderdomspensioen of andersom, een aantal jaren een hogere uitkering of andersom enzovoorts. De pensioenuitvoerder moet in de toekomst de belanghebbende op een adequate wijze begeleiden bij het maken van een keuze binnen de pensioenovereenkomst, zodat de deelnemer tot een passende keuze kan komen.

 

De grens tot hoever deze begeleiding gaat is belangrijk. Nu moet de pensioenuitvoerder vooral informeren; adviseren is voor pensioenfondsen niet toegestaan. Hoe onafhankelijk zal de pensioenuitvoerder zijn bij de begeleiding? Zal deze begeleiding niet vooral leiden naar een keuze die voor de pensioenuitvoerder de kans op een aansprakelijkstelling minimaliseert?

 

Het antwoord op die vraag zal de toekomst ons leren. Een voorbeeld over in welk geval het verstandig kan zijn het pensioenbedrag ineens tot uitkering te laten komen, leest u in Salaris Rendement 3-2021.

Wat gebeurt er met de oude rechten? Bij verzekeraars en premiepensioeninstellingen blijven deze staan. Ze kunnen worden overgeheveld, maar pas daarmee op.

Pas op met het overhevelen

Stel dat er voor de verzekerde middelloonaanspraken worden overgeheveld naar een premieovereenkomst, dan komen daarmee alle garanties op het eerder opgebouwde pensioen te vervallen. Het vóór de waardeoverdracht opgebouwde pensioen zou door slechte beleggingsresultaten lager uit kunnen komen.

In het verleden is dit al vaak verkeerd gegaan. Er is een rechtszaak bekend (ECLI verkort: 2016:231) waarin de pensioenadviseur is veroordeeld om de schade te vergoeden, nadat hij de werknemers vooraf niet voldoende voor het risico van waardedaling had gewaarschuwd. Hij had de informatieplicht geschonden. Het zou net zo goed de werkgever kunnen zijn die voor een lager pensioen aansprakelijk wordt gehouden.

Veel wijzigingen

Als pensioenfondsen de relatief harde oude rechten overdragen naar het nieuwe contract, moeten de betrokkenen bij dit overleg (vaak vakbonden) goed op de risico’s letten. De pensioenfondsen willen graag invaren: pensioen dat is opgebouwd onder het huidige stelstel overhevelen naar het nieuwe contract.

Het is voor hen immers administratief moeilijk uitvoerbaar om twee pensioenregelingen aan te houden. Daarnaast hebben zij – bij de intentie in te varen – het voordeel dat ze minder risico lopen de pensioenen de komende jaren te hoeven korten. Er komt namelijk een transitie-ftk (financieel toetsingskader) voor alle pensioenfondsen die de intentie hebben de bestaande pensioenaanspraken naar de nieuwe regeling over te hevelen.

De bestaande eisen worden tijdelijk buiten werking gesteld (van 2023 tot 2027). Zonder de transitie-ftk zullen bij gelijkblijvende markten de pensioenen van veel deelnemers en gepensioneerden worden verlaagd.

Zoals u kunt lezen, wijzigt er veel. Heel veel. Kunnen alle betrokkenen het overzicht bewaren? De tijd zal het leren en werkt in uw voordeel. Ga op tijd aan de slag met de pensioentransitie, ook al is deze nu een jaar uitgesteld.

Bij een vroegtijdig overlijden ontvangt de partner straks een hoger partnerpensioen

Als er een partnerpensioen wordt aangeboden dat tot uitkering komt als de werknemer overlijdt vóór pensioendatum, kan dit in de toekomst alleen op risicobasis zijn. Dat houdt in dat het partnerpensioen alleen tot uitkering komt als het overlijden (het verzekerde risico) plaatsvindt binnen de verzekerde periode.

Afhankelijk
Stopt de werknemer met deelname aan de pensioenregeling – bijvoorbeeld bij uitdiensttreding – dan vervalt deze verzekering drie maanden na zijn vertrek. Dat is ruimer dan bij het huidige partnerpensioen op risicobasis, en is een soort ‘in-between-jobs-dekking’.

 

De oude pensioenuitvoerder waar eerder het partnerpensioen op risicobasis was verzekerd loopt dus nog minimaal drie maanden een uitlooprisico. Korter kan ook als de deelnemer eerder een nieuwe baan heeft. Als die nieuwe werkgever ook een partnerpensioen aanbiedt, heeft de baanwissel geen invloed meer op de hoogte van het partnerpensioen. Dat is nu nog wel het geval.

 

Bovendien geldt nu dat de verzekeringsdekking meteen na uitdiensttreding vervalt. Uitzonderingen daargelaten. De werknemer kan bijvoorbeeld een gedeelte van de waarde van het ouderdomspensioen uitruilen voor een partnerpensioen.

 

De verzekeringsdekking vervalt op dit moment ook niet als de ex-werknemer een WW-uitkering ontvangt, of hij zijn pensioen vrijwillig voortzet. Dan kan het partnerpensioen op risicobasis verzekerd blijven.

 

Onder de huidige regels is de hoogte van het partnerpensioen afhankelijk van het aantal deelnemingsjaren bij een pensioenuitvoerder. Vanaf de wetswijziging ontvangt een deelnemer een diensttijdonafhankelijk partnerpensioen. De hoogte van het partnerpensioen is dan niet meer afhankelijk van het aantal dienstjaren en wordt berekend over het volledige salaris. Een voorbeeld ter verduidelijking.

Verschil
Stel, Ruth komt te overlijden. Er is sprake van een partnerpensioen op risicobasis. Zij heeft een jaar eerder haar baan verloren. De berekening van het partnerpensioen voor haar partner gaat als volgt. Eerst moet de pensioengrondslag worden berekend: dit is het verschil tussen het pensioengevend loon en het drempelbedrag waarbij rekening wordt gehouden dat de deelnemer een AOW-uitkering zal gaan ontvangen.

 

Als het pensioengevend loon € 40.000 is en het drempelbedrag (de ‘AOW-franchise’) € 15.000, dan is de pensioengrondslag € 25.000. Afhankelijk van de situatie van Ruth, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen:

  • Stel dat Ruth 20 jaar werknemer is geweest en haar partner in de situatie komt dat Ruth als WW-gerechtigde komt te overlijden, dan krijgt haar partner € 5.800 aan partnerpensioen. Op jaarbasis, bruto en levenslang.
  • Stel dat Ruth 30 jaar deelnemer is geweest én als WW-gerechtigde komt te overlijden, dan krijgt haar partner € 8.700 aan partnerpensioen. Op jaarbasis, bruto en levenslang.
  • Stel dat Ruth geen recht op een WW-uitkering (meer) heeft en overlijdt, dan krijgt haar partner niets.

Na de wetswijziging wordt het partnerpensioen diensttijdonafhankelijk en is het gebaseerd op maximaal 50% van het salaris. In dat geval krijgt Ruths partner maximaal 50% van € 40.000, dus € 20.000. Levenslang en bruto per jaar. Een groot verschil met de huidige situatie.