Wat regelt het Pensioenakkoord voor vervroegd uittreden?

17 november 2020

Werknemers krijgen door de stijging van de AOW-leeftijd steeds later recht op een AOW-uitkering. Dat maakt dat het steeds belangrijker wordt om mogelijkheden te hebben voor duurzame inzetbaarheid en vervroegd uittreden. Voor werknemers met een zwaar beroep komt de AOW-leeftijd vaak te laat. Wat is er voor vroegpensioen geregeld in het Pensioenakkoord?

Per 1 januari 2021 moet het voorstel voor de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen van kracht worden, die voortvloeit uit de afspraken uit het Pensioenakkoord. Dit geeft werknemers op twee manieren meer flexibiliteit bij het besteden van hun pensioengeld. Dat kan

  1. door de strafheffing voor werkgevers op een Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) te beperken en
  2. door het voor de werknemer mogelijk te maken om langer te sparen voor vervroegd pensioen.

 

1  Regeling vervroegde uittreding pas later belast

Spreekt u met een oudere, vertrekkende werknemer een financiële compensatie af, bijvoorbeeld via een vertrekregeling bij een reorganisatie, dan loopt u nu het risico dat de fiscus dit aanmerkt als een Regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Dat betekent dat uw organisatie over de compensatie een zogeheten pseudo-eindheffing van 52% moet betalen.

RVU deels vrijgesteld 

In het Pensioenakkoord is afgesproken om een uitkering die als RVU valt te bestempelen, tot een bepaalde hoogte vrij te stellen van de RVU-heffing. De hoogte van de vrijstelling jaarlijks wordt vastgesteld door de netto-AOW te bruteren. De hoogte is niet aan iemands loon of arbeidsduur gekoppeld.

Omdat het vrijgestelde bedrag vrij laag is, moeten veel uittreders genoegen nemen met een lager inkomen of zelf extra inkomsten regelen. Zorg dat u duidelijk over de financiële risico’s informeert. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat de werknemer binnen drie jaar recht krijgt op AOW. In een cao kunnen de cao-partijen uitwerken voor welke zware beroepen de vrijstelling geldt.

Tijdelijke maatregel

Het gaat om een tijdelijke maatregel: over een aantal jaar moeten er meer maatregelen zijn getroffen die de kans vergroten dat een werknemer tot zijn pensioen kan blijven werken.

 

2  Verlofsparen voor vervroegde uittreding

In een cao of arbeidsovereenkomst kan worden afgesproken dat een werknemer bijvoorbeeld bij overwerk, ploegendiensten of ander zwaar werk, betaald vakantie- of compensatieverlof opbouwt zonder dat hij verplicht is om die uren op korte termijn op te nemen. De wet bepaalt nu dat u aanspraken op dit verlof niet tot het loon van de werknemer hoeft te rekenen, voor zover de aanspraken aan het einde van een kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van 50 weken. Op deze manier kan de werknemer tijdens zijn dienstverband 50 extra verlofweken opbouwen.

Van 50 naar 100 weken

Vanaf 2021 stijgt de grens voor dit fiscaal gunstige verlofsparen naar 100 weken. Dit betekent dat een werknemer die dit verlof heeft opgespaard, bijna twee jaar voor zijn AOW al volledig kan uittreden. De werknemer moet zich echter niet te rijk rekenen: bij bijvoorbeeld faillissement van uw organisatie kan de werknemer al zijn opgebouwde verlofrechten verliezen. Bij een ontslag of baanwisseling krijgt hij het verlof wel uitbetaald.