Einde aan verrekenen van opgewekte duurzame elektriciteit

De huidige salderingsregeling voor huishoudens en bedrijven die zelf duurzame elektriciteit opwekken gaat op de schop. De regeling is te duur gebleken. De regeling wordt in 2020 omgevormd tot een subsidieregeling. Voor de nieuwe subsidieregeling gaat een plafond gelden om het budget beheersbaar te houden. Het voorstel voor de regeling moet deze zomer klaar zijn.

25 juni 2018 | Door redactie

In het regeerakkoord (tool) was al afgesproken dat de salderingsregeling niet behouden blijft. De nieuwe subsidieregeling gaat niet alleen voor zonne-energie gelden, maar ook voor andere hernieuwbare energiebronnen zoals windenergie. Huishoudens en bedrijven die hun opgewekte stroom zelf verbruiken, zullen daar net als nu geen energiebelasting en geen opslag duurzame energie (ODE) voor hoeven betalen.

Salderingsregeling verrekent opgewekte en afgenomen stroom

De huidige salderingsregeling is een van de 3 subsidieregelingen van het Rijk om opwekking van energie te stimuleren. Hierbij wordt de zelfopgewekte elektriciteit van huishoudens en bedrijven in mindering gebracht met de van het net afgenomen elektriciteit. Hierdoor hoeven zij geen leveringskosten, energiebelasting, opslag duurzame energie (ODE) en BTW te betalen over dat in mindering gebrachte deel.

Van saldering naar subsidie, investering binnen 7 jaar terug

De nieuwe regeling zal een terugleversubsidie worden. Deze subsidie is een vergoeding voor het opwekken van de stroom die aan het elektriciteitsnet wordt teruggeleverd. Voor gebruikers van de salderingsregeling wordt een overgangsperiode geregeld. De nieuwe regeling gaat er verder vanuit dat eigenaren van zonnepanelen hun investering (tool) in ongeveer 7 jaar moeten kunnen terugverdienen. Ondernemingen kunnen ook gebruik maken van de Energie-investeringsaftrek (EIA) waarmee zij een deel van de aanschafkosten van energiezuinige bedrijfsmiddelen kunnen aftrekken van hun winst. 

Nog onduidelijk of regeling ook voor grotere gebouwen geldt

Minister Wiebes van Economische Zaken onderzoekt nog of ook grotere gebouwen, zoals scholen of kantoren, in de regeling kunnen worden opgenomen. Deze gebouwen verschillen in omvang van hun opweksystemen, maar ook in hun energie-verbruikstarieven.