Verplichte geheimen van de OR

Artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) regelt de geheimhoudingsplicht van de OR. De OR krijgt immers veel gevoelige (bedrijfs)informatie onder ogen. Wat betekent deze geheimhoudingsplicht voor uw OR-werk in de praktijk?

27 februari 2017 | Door redactie

De geheimhoudingsplicht voor OR-leden, commissieleden en geraadpleegde deskundigen is geregeld in artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Legt de bestuurder uw OR een geheimhoudingsplicht op, dan mag u de verkregen vertrouwelijke of concurrentiegevoelige informatie niet delen met de achterban. Deze geheimhoudingsplicht blijft ook van kracht na de beëindiging van het lidmaatschap van de OR of commissie of de werkzaamheden voor de organisatie.

Geheimhoudingsplicht moet uitzondering zijn

Er zijn drie soorten informatie die onder de geheimhouding vallen:

  • alle zaken- en bedrijfsgeheimen die de raad in zijn hoedanigheid als OR verneemt;
  • alle aangelegenheden waarvoor geheimhouding is opgelegd door de OR of de bestuurder;
  • aangelegenheden waarvan de OR-leden in verband met een eerder opgelegde geheimhouding het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen.

Legt de bestuurder geheimhouding op, dan moet hij duidelijk aangeven welke gegevens eronder vallen, hoelang de plicht duurt en tegenover wie de OR-leden de geheimhouding in acht moeten nemen en tegenover wie niet. Waak ervoor dat de geheimhoudingsplicht uw OR-werk en de communicatie met uw achterban (tools) niet te veel belemmert. De geheimhoudingsplicht  moet dus een uitzondering en geen regel zijn.

OR-besluit sluit individuele aansprakelijkheid uit

Is er mogelijk sprake van schending van geheimhouding of vertrouwelijkheid, neem daarover dan als OR een besluit. Met een OR-besluit is een OR-lid niet als individu aan te spreken maar is er een conflict tussen de bestuurder en de OR. In ernstige gevallen kan opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht strafbaar zijn en leiden tot een gevangenisstraf van maximaal één jaar of een boete van maximaal € 20.500 (artikel 272 en 23, lid 4 Wetboek van strafrecht).