Vertrouwenspersonen gehinderd bij hulpverlening #Metoo-zaken

Uit een enquête van de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen (LVV) blijkt dat werkgevers soms ingrijpen als vertrouwenspersonen bemiddelen in gevallen van ongewenst gedrag zoals seksuele intimidatie op het werk. Daardoor lopen vertrouwenspersonen risico hun baan te verliezen.

6 maart 2018 | Door redactie

De Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen heeft in samenwerking met het tv-programma De Monitor onderzocht in hoeverre de vertrouwenspersoon wordt gehinderd bij de hulpverlening aan slachtoffers van ongewenst gedrag zoals seksuele intimidatie en pesten (tool). Uit een enquête blijkt dat 10% van de ondervraagde interne vertrouwenspersonen de hulp aan slachtoffers van ongewenst gedrag moesten staken. Werkgevers bemoeien zich ook met de zaken van externe vertrouwenspersionen; daar had 23% mee te maken. De resultaten worden vanavond uitgezonden op NPO 2.

Eerste maatregel aanstellen vertrouwenspersoon

De LVV pleitte al eerder voor versterking van de positie van de vertrouwenspersoon, bijvoorbeeld door het aanstellen van een vertrouwenspersoon voor werkgevers wettelijk te verplichten. Door de #Metoo-affaire is er meer aandacht voor het belang van de functie van vertrouwenspersoon. De Arbowet (artikel 3) verplicht werkgevers beleid te voeren tegen psychosociale arbeidsbelasting (PSA) zoals agressie en geweld, discriminatie en pesten. Eén van de maatregelen is het aanstellen van een vertrouwenspersoon waar werknemers terecht kunnen. 

Eén op de zes werknemers slachtoffer pesten

Slachtoffers van seksuele intimidatie of pesten op het werk durven vaak niets te zeggen tegen hun leidinggevende of de vertrouwenspersoon. Vooral niet als hun leidinggevende de dader is. Eén op de zes werknemers heeft last van pesten op het werk of een andere vorm van ongewenst gedrag. Dat zijn ruim 1,2 miljoen personen. Omdat het gedrag van de omgeving (collega’s) belangrijk is bij de aanpak van pesten, is het belangrijk de ondernemingsraad erbij te betrekken. De OR heeft bovendien instemmingsrecht op beleid tegen ongewenst gedrag.