Werkgever niet aansprakelijk voor RSI-klachten

Een goed beleid rondom beeldschermwerk is in bijna elke organisatie noodzakelijk. Krijgt een werknemer RSI-klachten, dan kan dat namelijk komen doordat de werkgever zijn zorgplicht niet is nagekomen. Zolang het niet duidelijk is of de klachten echt door het werk zijn ontstaan, kan de werknemer de schade echter niet op de werkgever verhalen.

1 oktober 2015 | Door redactie

In de zaak ging het om een werknemer wiens werk voornamelijk bestond uit beeldschermwerk (tool), maar deels werd afgewisseld met uitzoekwerk. Hij had een goed verstelbare bureau en stoel, maar meldde zich ziek vanwege pijn aan zijn rechterhand, -arm en -schouder. Na behandeling, aanpassing van de werkplek (tool) en een begeleidingstraject kon de werknemer weer volledig aan het werk. Een jaar later viel de werknemer weer uit en belandde hij in een revalidatieprogramma. Door sluiting van de vestiging waar de werknemer werkte, werd het contract met hem beëindigd. Later stelde hij zijn werkgever aansprakelijk voor de schade door RSI.

Computeren in de vrije tijd

Bij de rechtbank draaide het vooral om de vraag of de schade was gekomen door de uitvoering van zijn werkzaamheden. Volgens de kantonrechter leek het erop dat het besluit beeldschermwerk (in beperkte mate) was overtreden, maar daarmee was niet duidelijk in welke mate de werknemer toen in zijn vrije tijd computerde. Er kon dus niet van uit worden gegaan dat de klachten door het werk kwamen, waardoor de bewijslast bij de werknemer lag. Er moest een deskundige aan te pas komen. Maar die kon niet concluderen dat de klachten door het werk waren veroorzaakt; er kon een andere oorzaak zijn. De vordering van de werknemer werd afgewezen.

Instemmingsrecht bij wijziging arboregeling

Ook al werd de werkgever hier niet aansprakelijk gesteld, het blijft belangrijk om de arbeidsrisico’s van werknemers zo veel mogelijk te beperken. Zorg er dus voor dat de preventie van RSI (tool) is opgenomen in de risico-inventarisatie en -evaluatie.
Rechtbank Midden-Nederland, 3 juni 2015, ECLI (verkort): 4618