SER start onderzoek naar OR-scholing

De SER start een onderzoek naar de scholing van OR-leden. Het onderzoek richt zich op verschillende onderdelen van OR-scholing. Het belangrijkste doel van het onderzoek is om de stand van zaken op te nemen sinds de wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in 2013.

5 februari 2016 | Door redactie

In het onderzoek wil de Sociaal-Economische Raad (SER) inzoomen op de verandering in OR-scholing sinds de afschaffing van de WOR-heffing per 1 januari 2013. Daarnaast neemt de SER de ontwikkelingen in werkvormen en de bijdrage die scholing levert aan het werk van de ondernemingsraad onder de loep. Ten slotte zal worden onderzocht welke behoefte in de toekomst speelt op het gebied van scholing en vorming.

Onderzoek in de vorm van online enquête

Het onderzoek bestaat uit een online enquête onder medezeggenschapsorganen in Nederland, gevolgd door een telefonische enquête. De SER laat daarnaast nog een online enquête uitvoeren onder bestuurders. De ITS Radboud Universiteit Nijmegen neemt het onderzoek op zich en hoopt de resultaten rond de zomer te publiceren.

Wijziging van de WOR

Belangrijke omslagpunten in de wettelijke basis voor OR-scholing waren de afschaffing van het GBIO ­– het instituut dat subsidie voor OR-scholing regelde – en de wijziging van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) in 2013. De WOR-wijzigingen (tool) gingen voor een groot deel in op OR-scholing. Die moet van voldoende kwaliteit zijn en om OR’en een idee te geven over de kosten van scholing van voldoende kwaliteit, stelt de SER elk jaar richtbedragen voor OR-scholing (tool) op. Een bestuurder die bezwaar maakt tegen kosten van een training die rond dat richtbedrag zit, zal niet snel gelijk krijgen van een rechter.