Spelregels voor OR-scholing volgens WOR

OR-leden hebben kennis en ervaring nodig om hun OR-taken goed uit te kunnen voeren en om echt meerwaarde te kunnen bieden aan de achterban en bestuurder. Met OR-scholing kunnen OR-leden hun kennis vergroten en actualiseren. De Wet op de ondernemingsraden biedt OR-leden de mogelijkheid om scholing te volgen.

27 september 2018 | Door redactie

Werkgevers zijn volgens artikel 18, lid 2 en 3 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) verplicht om OR-leden gedurende een minimum aantal dagen per jaar, onder werktijd en met behoud van loon, de gelegenheid te bieden OR-scholing te volgen die zij nodig hebben voor het vervullen van hun taken. Het minimumaantal scholingsdagen per jaar is: vijf dagen voor OR-leden, drie dagen voor een lid van een OR-commissie die niet in de OR zit en acht dagen voor OR-leden die ook in een OR-commissie plaatsnemen.

OR en bestuurder bepalen aantal scholingsdagen in overleg

Het aantal scholingsdagen dat een OR tot zijn beschikking krijgt, stellen OR en bestuurder vast in onderling overleg. Het aantal scholingsdagen kan per OR-lid of lid van de commissie verschillen. Dat is ook afhankelijk van de kennis, ervaring en deskundigheid van de OR-leden. Komen OR en bestuurder er onderling niet uit, dan kunnen ze zich wenden tot de Scholingskamer of de rechter (artikel 36, lid 2 WOR). 

Redelijke kosten OR-scholing voor rekening bestuurder

De scholingskosten van OR-leden die redelijkerwijze noodzakelijk zijn komen voor rekening van de bestuurder (artikel 22 WOR). De Sociaal-Economische Raad (SER) maakt ieder jaar de richtbedragen voor OR-cursussen bekend. Deze richtbedragen geven een indicatie van wat redelijke kosten zijn voor kwalitatieve OR-scholing per dagdeel.