BOF-teller loopt voor elke afzonderlijke onderneming

Kinderen die een onderneming erven of geschonken krijgen, kunnen daar een flinke belastingvrijstelling voor krijgen. Maar bij een schenking moet die onderneming wel minstens vijf jaar eigendom zijn geweest van de schenker. Die termijn geldt per afzonderlijke onderneming, stelt de advocaat-generaal van de Hoge Raad nu.

10 september 2019 | Door redactie

De belastingvrijstelling waar het hier om draait, is de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet. Opvolgers in de familie die (aandelen in) een onderneming erven of geschonken krijgen zijn daardoor flink voordeliger uit. In 2019 betalen opvolgers dankzij de BOF tot een ondernemingswaarde van € 1.084.851 helemaal geen erf- of schenkbelasting (tool). Boven die grens is nog eens 83% van de ondernemingswaarde vrijgesteld.

Minstens 5 jaar in bezit van schenker

Maar om die ruime vrijstelling te mogen gebruiken, gelden er wel een aantal voorwaarden (tool). Zo moet de schenker de onderneming minstens 5 jaar in bezit hebben. Over die eis ging het in de zaak waar advocaat-generaal Robert IJzerman zich over boog. Een vader had in 2014 zijn twee kinderen allebei 20% van het aandelenkapitaal in een holding-bv geschonken. Die holding had in 2013 via een dochterbedrijf ook een andere bv overgenomen. De kinderen kregen dus als onderdeel van de schenking ook een indirect belang in deze aangekochte bv.
Het duo wilde voor de schenking de BOF toepassen, maar de inspecteur weigerde dat voor de waarde van het indirecte belang. Want de schenker had die onderneming nog geen 5 jaar in bezit. De rechtbank dacht er hetzelfde over.

Gekochte onderneming niet aan holding toerekenen

Volgens de kinderen was de overgenomen onderneming ten tijde van de schenking al niet meer als afzonderlijke bv te zien, maar gewoon onderdeel van de holding. Voor de bezitstermijn zou de inspecteur daarom naar de hele holding moeten kijken. Na het oordeel van de rechtbank legden zij de zaak direct voor aan de Hoge Raad. Maar de advocaat-generaal concludeert nu dus dat hun beroep ongegrond moet worden verklaard. De aangekochte onderneming mocht volgens hem niet tot de holding worden gerekend. De termijn moet per onderneming worden bekeken. En dus is het indirecte belang simpelweg te kort in bezit geweest van de schenker om de BOF te mogen gebruiken.
Parket bij de Hoge Raad, publicatiedatum 6 september 2019, ECLI (verkort): 827

Bijlagen bij dit bericht