Nieuwe regels bestuur en toezicht per 1 juli 2021

Per 1 juli gaan de nieuwe regels in van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Bijna alle stichtingen en verenigingen krijgen met deze wet te maken. Uw organisatie moet zich dus voorbereiden op de komst van deze nieuwe regels.

24 februari 2021 | Door redactie

De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen zorgt voor meer duidelijkheid bij onder andere stichtingen en verenigingen. Daarnaast sluiten de nieuwe regels beter aan bij de bestaande regels voor naamloze vennootschappen (nv’s) en besloten vennootschappen (bv’s). Dit betekent dat uw organisatie waarschijnlijk de statuten moet aanpassen en dat de basisregels voor bestuur en toezicht moeten worden vastgelegd. Voor bepaalde onderdelen van de statuten geldt dat uw organisatie die moet aanpassen bij de eerstvolgende statutenwijziging en soms zelfs binnen vijf jaar. Het kan dus geen kwaad om te checken wat de nieuwe regels betekenen voor uw organisatie.

Duidelijkheid in de wet

Stichtingen en verenigingen krijgen met deze nieuwe wet meer duidelijkheid over de volgende onderwerpen:

  • keuze voor een ander bestuursmodel: keuze voor een raad van toezicht of een raad van commissarissen;
  • de regels over aansprakelijkheid van bestuurders (en commissarissen);
  • bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen moeten zich bij het vervullen van hun taak richten op het belang van de organisatie;
  • de regels bij een tegenstrijdig belang: voor bestuurders van stichtingen en verenigingen gaan dezelfde tegenstrijdig belangregels gelden als bij een nv en bv;
  • de mogelijkheid van meervoudig stemrecht voor bestuurders van stichtingen en verenigingen: een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen;
  • het opnemen van een regeling voor ontstentenis (bij afwezigheid van een bestuurder ontstaat een vacature) en belet (bestuurder kan tijdelijk zijn werkzaamheden niet uitoefenen vanwege bijvoorbeeld ziekte, schorsing of langdurig verblijf in het buitenland);
  • de uitbreiding van de beoordelingsvrijheid voor de rechter om een bestuurder of commissaris van een stichting te ontslaan op verzoek van het Openbaar Ministerie of een andere belanghebbende.