Een werkgever moet werknemers stimuleren om vakantiedagen op te nemen. Maar hoever strekt die inspanningsverplichting nu eigenlijk? Wat wordt er verwacht en wat zijn de gevolgen als een organisatie deze verplichting onvoldoende of helemaal niet naleeft? Rechters hebben hierover in de afgelopen jaren regelmatig een oordeel moeten vellen. Daar valt van te leren.
Dit verdiepingsartikel is geschreven door Nikki Hendriks, arbeidsjurist bij Tilburg University
Allereerst de basisregels: in Nederland heeft iedere werknemer jaarlijks recht op vakantie ter hoogte van minimaal viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Bij een fulltime werkweek van 40 uur betekent dit 160 uur (20 vakantiedagen) als wettelijk minimum (de ‘wettelijke vakantiedagen’). Deze aanspraak vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is opgebouwd – per 1 juli van het volgende kalenderjaar dus – tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip de resterende vakantiedagen niet op kon nemen.
Over deze vervaltermijn heeft het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) zich in 2018 uitgelaten. Het HvJ oordeelde dat wettelijke vakantiedagen niet zonder meer mogen verval