Kunnen we als OR de houdbaarheid van vakantiedagen beïnvloeden?

Publicatiedatum 22 juli 2019

Volgens onze werkgever moeten wij onze vakantiedagen opmaken binnen het kalenderjaar. Maar klopt dit wel? Hebben wij als OR nog een rol bij het bepalen van die houdbaarheid?

Werknemers hebben recht op vakantiedagen om te herstellen van de gedane arbeid. Er zijn wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. De wettelijke dagen liggen vast in het Burgerlijk Wetboek: vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week (20 wettelijke vakantiedagen bij een voltijd dienstverband). De bovenwettelijke dagen worden bepaald door de arbeidsovereenkomst of cao en variëren sterk per bedrijfstak of sector. Over de houdbaarheid van dagen heeft een OR weinig te zeggen. Bovendien zijn werkgevers verplicht om werknemers in staat te stellen hun wettelijke vakantiedagen binnen de vervaltermijn op te nemen.

Wettelijke vakantiedagen

Wettelijke dagen zijn geldig tot zes maanden na het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd. Daarna vervallen ze automatisch tenzij met de werknemer, OR of per cao een ruimere termijn is overeengekomen. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Het vakantietegoed van werknemers kent dus doorgaans verschillende termijnen. Neemt een werknemer vakantiedagen op, dan moet de werkgever deze dagen in mindering brengen op het tegoed dat als eerste vervalt of verjaart. De halfjaarstermijn voor de wettelijke dagen geldt niet als de werknemer in redelijkheid niet in staat is geweest die dagen op te nemen, bijvoorbeeld door langdurige ziekte of drukte. Zieke werknemers bouwen evenveel vakantiedagen op als nietzieke werknemers.

Vakantiestuwmeer

De bedoeling van vakantiedagen is dat werknemers hun werkzaamheden voldoende onderbreken met vrije tijd om gezond aan het werk te blijven en dus opnemen in het jaar dat ze zijn ontstaan. Het opsparen van vakantietegoeden is daarmee in strijd. Toch gebeurt het veel. Soms lopen de tegoeden zelfs op tot veelvouden van de jaarlijkse vakantierechten. Werkgevers kunnen daar weinig meer tegen doen dan wachten op het vervallen van de wettelijke vakantierechten en niet meewerken aan het verlengen van de verjaringstermijn van de bovenwettelijke dagen. De rol van uw OR bij het bepalen van de houdbaarheid van vakantiedagen beperkt zich tot het eventueel met de bestuurder afspreken van een langere vervaltermijn voor wettelijke dagen. Het is de vraag of dat verstandig is. Als het nodig is om die termijn te verlengen, betekent dit dat werknemers minder dan het wettelijk minimum hebben opgenomen en dus weinig gelegenheid hebben gehad te herstellen van de gedane arbeid. Het is zinvoller om de oorzaak daarvan te achterhalen. Als werknemers zo weinig vakantiedagen opnemen omdat de werkgever verlofverzoeken afwijst, is dát het probleem. Het verlengen van de termijnen is dan geen oplossing.

Arbeidshygiënische overwegingen

Vanuit arbeidshygiënische overwegingen (zorg voor gezonde werkomgeving) is het niet toegestaan om wettelijke vakantiedagen af te kopen, ook niet met instemming van de OR. Dat kan alleen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Werkgevers kunnen wel bovenwettelijke dagen afkopen, maar alleen met goedkeuring van de werknemer. Werknemers kunnen ook proberen om hun bovenwettelijke dagen gedurende vijf jaar op te sparen, bijvoorbeeld voor een lange vakantie.

Instemmingsrecht op vakantieregelingen

De OR heeft wél instemmingsrecht op vakantieregelingen (artikel 27 lid 1 b WOR) en de manier waarop werknemers vakantie kunnen aanvragen en opnemen en de periode waarin (collectieve vakantie en verplichte snipperdagen). Ook met roostervrije uren en dagen die worden aangewezen voor de besteding van de ATV (arbeidstijdverkorting) moet uw OR instemmen tenzij de cao dit al regelt. Daarnaast heeft de werkgever altijd instemming van de individuele werknemer nodig als het gaat over diens vakantie. Als de werkgever niet binnen twee weken beslist over een schriftelijke vakantieaanvraag, mag de werknemer ervan uitgaan dat zijn verzoek is goedgekeurd.