Kleindochter kan toch in fiscale eenheid VPB

Mocht uw bv indirect via een buitenlandse vennootschap de aandelen houden in een Nederlandse vennootschap (kleindochter), dan kunt u deze kleindochter opnemen in uw fiscale eenheid vennootschapsbelasting (VPB). Dit is recent bepaald door de rechtbank in Haarlem.

30 september 2011 | Door redactie

In deze zaak ging het om een Nederlandse bv (moeder), die 99% van de aandelen hield in een Duitse vennootschap. Deze Duitse vennootschap was een houdstermaatschap en hield alle aandelen van een Nederlandse bv (kleindochter). De buitenlandse vennootschap had geen vaste inrichting in Nederland. Op 25 maart 2009 verzochten de Nederlandse moeder en de Nederlandse kleindochter om voeging in de fiscale eenheid voor de VPB. De fiscus wees dit verzoek echter af. De rechter moest nu bepalen of het wel mogelijk was om in deze situatie een fiscale eenheid VPB aan te gaan. 

Samenhang van de belastingheffing

De rechtbank vond dat een fiscale eenheid in deze situatie echter wel was toegestaan. De regeling waarbij een fiscale eenheid alleen mogelijk was als de tussenhoudster in Nederland was gevestigd of over een vaste inrichting beschikte in Nederland, ging te ver. Dit was volgens de rechters niet nodig om de samenhang van de belastingheffing in Nederland te waarborgen. Door het toestaan van een fiscale eenheid bestond wel het risico van een dubbele verliesverrekening, maar dit was ook op een minder ingrijpende manier te voorkomen. Daarnaast kon de fiscus op basis van een Europese richtlijn inzake de wederzijdse bijstand (EU-richtlijn 77/799) voldoende informatie krijgen over de buitenlandse vennootschap. De inspecteur moest met deze uitspraak van de rechtbank opnieuw zijn afwijzing van de beschikking voor de fiscale eenheid overwegen.
Rechtbank Haarlem, 14 september 2011, LJN: BT2305