VERDIEPINGSARTIKEL

De winst verlagen van de bv

VPB-ondernemingen kunnen natuurlijk ook afschrijven, reserves en voorzieningen vormen en in aanmerking komen voor de investeringsaftrekregelingen. Wel gelden er soms afwijkende regels voor deze rechtspersonen.

Zij kunnen echter geen gebruik maken van de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Gelukkig zijn er voor VPB-ondernemingen wel andere manieren om de winst te verlagen.


19 maart 2020 9 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en is geschreven door Almer de Beer en Geert de Jong, Bureau Vaktechniek Fiscaal, Grant Thornton


Als dga wilt u natuurlijk graag weten wat de mogelijkheden zijn om de winst van uw bv zoveel mogelijk te verlagen. Zo vindt u in dit hoofdstuk de hoofdlijnen van de innovatiebox. Ook interessant voor u als dga is de mogelijkheid om geld te lenen van de bv. Dit kan waarschijnlijk binnenkort niet meer onbeperkt en zonder fiscale gevolgen.

Verlies eerder verrekenen door coronacrisis

Staatssecretaris Vijlbrief gaat in verband met de coronacrisis regelen dat een verwacht verlies over 2020 eerder is te verrekenen dan conform het huidige wettelijke kader. De staatssecretaris komt met een beleidsbesluit op grond waarvan u het verwachte verlies over 2020 al kunt verwerken als een aftrekpost in de VPB-aangifte over 2019.

Op die manier haalt u uw belastingvoordeel naar voren. U hoeft immers dan niet meer te wachten tot de aangifte over 2020 is ingediend voordat u het verlies over 2020 via carry back verrekent met de winst over 2019.

De innovatiebox

De wetgever heeft de innovatiebox in het leven geroepen om innovatie te stimuleren. De regeling houdt in dat voor voordelen uit door uzelf ontwikkelde materiële activa een effectief tarief van slechts 7% geldt. Dit in plaats van het reguliere VPB-tarief van 16,5% (tot een winst van € 200.000) respectievelijk 25% (voor winsten vanaf € 200.000).

Als u zelf immateriële activa ontwikkelt, kunt u onder voorwaarden in aanmerking komen voor het regime van de innovatiebox. De voordelen uit deze zelf ontwikkelde immateriële activa worden – door een verlaging van de grondslag voor de VPB – feitelijk lager belast dan andere voordelen. Effectief worden bedoelde voordelen belast tegen 7%. Met ingang van 2021 wordt het effectieve tarief voor deze voordelen 9%.

Voorbeeld

Stel, uw bv heeft een immaterieel activum ontwikkeld en dit komt in aanmerking voor de innovatiebox. De door uw bv behaalde voordelen zijn € 150.000. De werking van de innovatiebox (uitgaande van het hoge VPB-tarief van 25%) is als volgt. Van de voordelen wordt 7/25 deel in de belaste winst opgenomen, dus € 42.000. Dit leidt tot een heffing over de voordelen van 25% x € 42.000 = € 10.500.

Onder voordelen wordt verstaan: het saldo van opbrengsten minus de kosten met betrekking tot het immateriële actief. Gunstig is ook dat alleen positieve voordelen via het verlaagde tarief worden belast. Als met het immateriële activum een negatief voordeel (dus een verlies) wordt behaald, is dit verlies gewoon tegen het reguliere tarief verrekenbaar.

U kunt de innovatiebox alleen toepassen als sprake is van ‘kwalificerende immateriële activa’. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘kleinere belastingplichtigen’ en ‘grotere belastingplichtigen’.

Uw bv is een ‘kleinere belastingplichtige’ als de voordelen uit de zelf ontwikkelde immateriële activa in het fiscale jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren, na aftrek van de toerekenbare kosten, lager zijn dan € 37,5 miljoen. Dat is gemiddeld € 7,5 miljoen per jaar.

Daarnaast moet voor de ontwikkeling van de immateriële activa een S&O-verklaring zijn afgegeven. Tenslotte mag uw bv (c.q. de gehele groep waarvan de bv deel uitmaakt) in de genoemde vijfjaarsperiode samen geen hogere winst hebben behaald dan € 250 miljoen, dus € 50 miljoen per jaar.

Is uw bv op basis van deze criteria een ‘kleinere belastingplichtige’? Dan geldt als entreebewijs voor de innovatiebox alleen nog dat voor de ontwikkeling van de immateriële activa een S&O-verklaring is afgegeven.

Voor grotere belastingplichtigen gelden strengere eisen. Grotere ondernemingen hebben naast de S&O-verklaring nog een entreebewijs nodig, zoals:

  • een octrooi;
  • een kwekersrecht;
  • programmatuur;
  • een vergunning om een geneesmiddel op de markt te brengen;
  • een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie;
  • een aanvullend beschermingscertificaat;
  • een exclusieve licentie voor het gebruik van de genoemde zaken.

Als uw bv op grond van het voorgaande een ‘kleinere belastingplichtige’ is en u in bezit bent van een S&O-verklaring, bent u er helaas nog niet. De innovatiebox geldt alleen voor zogenoemde ‘kwalificerende voordelen’.

Daarbij geldt de zogenoemde nexus-benadering. Deze impliceert dat als een deel van het S&O-werk is uitbesteed aan een gelieerde vennootschap, de voordelen uit de ontwikkelde immateriële activa voor een evenredig deel buiten de innovatiebox blijven.

Uitgaven door gelieerde vennootschappen zijn niet aan te merken als ‘kwalificerende uitgaven’. De innovatiebox is toepasbaar op de uitkomst van de volgende nexus-breuk: Kwalificerende voordelen = (kwalificerende uitgaven x 1,3)/(totale uitgaven) x voordelen.

Voorbeeld nexus-benadering

Stel, uw bv heeft een immaterieel activum ontwikkeld. De totale daarvoor gemaakte uitgaven bedroegen € 250.000. Deze zijn als volgt aan de werkzaamheden toe te rekenen:

  • voor werkzaamheden van de bv zelf: € 150.000;
  • voor werkzaamheden van derden: € 30.000;
  • voor werkzaamheden van gelieerde vennootschappen: € 70.000.

Voordelen
Het behaalde voordeel met het zelf ontwikkelde immateriële activum bedraagt € 250.000. Voor de toepassing van de innovatiebox kwalificeren op grond van de hiervoor genoemde nexus-breuk de als volgt berekende voordelen: Kwalificerende voordelen -/- ((150.000 + 30.000) x 1,3)/ 250.000 x € 250.000 = € 234.000.

Vervolgens moet u rekening houden met een drempel. De voor toepassing van de innovatiebox berekende ‘kwalificerende voordelen’ worden namelijk pas in de innovatiebox betrokken als ze boven de drempel van totale voortbrengingskosten uitkomen.

Hierbij kijkt u naar de voortbrengingskosten van het belastingjaar zelf maar ook naar het saldo van de uit voorafgaande jaren in te lopen voortbrengingskosten. Eventuele met de ontwikkelde immateriële activa behaalde verliezen verhogen de drempel.

Voorbeeld

Stel, uw bv heeft in voorafgaande jaren € 200.000 voortbrengingskosten gemaakt. In die jaren is met de exploitatie van de immateriële activa in één jaar een verlies behaald van 50.000 en in twee jaren een winst van € 80.000.

In 2020 worden voortbrengingskosten gemaakt van € 50.000 en wordt een voordeel behaald van € 170.000. Voor welk bedrag geldt in 2020 de innovatiebox?

Berekening saldo in te lopen voortbrengingskosten
Voortbrengingskosten voorafgaande jaren € 200.000
Winsten voorafgaande jaren € 160.000 -/-
Saldo in te lopen € 40.000
   
Berekening drempel 2020  
Saldo in te lopen Voortbrengingskosten € 40.000
Voortbrengingskosten 2020 € 50.000 +
Verlies uit innovatie (eerder jaar) € 50.000 +
Drempel € 140.000
   
Toepassing innovatiebox in 2020  
Behaalde voordeel € 170.000
Drempel € 140.000 -/-
Voordelen in innovatiebox € 30.000

Om het gebruik van de innovatiebox binnen het mkb te stimuleren heeft de wetgever een forfaitaire regeling geïntroduceerd. Deze houdt in dat de ingewikkelde berekeningen van welke aan de zelf ontwikkelde immateriële activa toerekenbare winst in de innovatiebox is te benutten achterwege kunnen blijven.

In plaats daarvan gaat u uit van een vast percentage van 25% van de nettowinst als forfait in de innovatiebox. Wel geldt hierbij een maximum van € 25.000 per jaar.

De forfaitaire regeling is verder alleen van toepassing op een activum dat is voortgebracht in het belastingjaar zelf, of in één van de twee voorafgaande jaren. Na afloop van de bedoelde drie jaren vervalt u in de reguliere (complexere) toepassing van de innovatiebox.

Verzoek doen in VPB-aangifte

Uw bv kan het regime van de innovatiebox alleen toepassen als u daarvoor een verzoek doet in de VPB-aangifte over het jaar waarin de bv de innovatiebox in wil laten gaan. Gezien de complexiteit van de regeling verdient het aanbeveling de toepassing van de regeling vooraf met de fiscus af te stemmen.

Lenen van de bv

Heeft u als dga voor privé-uitgaven geld nodig? Dan kunt u de bv een dividend laten uitkeren. Hierover is 26,25% (tarief 2020) aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd in box 2.

Als alternatief kunt u ook lenen van uw bv. Aanmerkelijkbelangheffing is dan uiteraard niet verschuldigd. Door geld te lenen kunt u dus langdurig de aanmerkelijkbelangheffing uitstellen. De staatssecretaris van Financiën vindt dit onwenselijk en steekt met het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap’ hier een stokje voor.

Hieronder volgt een beschrijving van het wetsvoorstel naar de stand bij het publiceren van dit artikel. Eventuele wijzigingen in het wetsvoorstel zijn dus niet meegenomen.

Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat een dga die meer dan € 500.000 leent van zijn bv, over het meerdere aanmerkelijkbelangheffing is verschuldigd (fictief regulier voordeel). Daarbij maakt het niet uit waarvoor u het geld leent. Bijvoorbeeld consumptieve uitgaven, privébeleggingen, tweede woning enzovoorts.

De maatregel heeft geen civielrechtelijke betekenis; de lening blijft civielrechtelijk bestaan en dus ook de rente- en aflossingsverplichtingen. De waardering van de corresponderende vordering door de bv wijzigt niet.

Voorbeeld

Stel, u heeft € 200.000 rekening-courantschuld aan uw bv. Daarnaast heeft u € 600.000 geleend in verband met de aanschaf van vastgoed (box 3). Voor de lening heeft u een hypothecair zekerheidsrecht gevestigd ten gunste van uw bv. In totaal heeft u dus € 300.000 meer geleend dan € 500.000.

Voor € 300.000 is dan sprake van een fictief regulier dividend. Hierover bent u aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd. Het feit dat op de lening een hypothecair zekerheidsrecht rust, en de lening dus mogelijk volstrekt zakelijk is, maakt de uitkomst niet anders.

Alle typen schulden, ongeacht de aanwending, vallen onder deze regeling. Het maakt daarbij dus ook niet uit of de lening tegen zakelijke of onzakelijke condities is afgesloten.

Saldering van schulden met vorderingen aan uw bv vindt niet plaats. De som van de schulden wordt vastgesteld aan het einde van het kalenderjaar!

De eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling van box 1 is uitgezonderd, voor zover voor die schuld een recht van hypotheek is verstrekt als bedoeld in Boek 3 titel 9 van het Burgerlijk Wetboek. Alleen voor bestaande eigenwoningschulden (op moment van inwerkingtreding wetsvoorstel) geldt de laatstgenoemde voorwaarde niet.

De voorgestelde maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang en werkt niet door naar de overige fiscale wet- en regelgeving. Als de schuld in box 3 valt, verlaagt de (bovenmatige) schuld nog steeds de rendementsgrondslag.

De voorgestelde maatregel geldt ook voor schulden van uw bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of die van uw partner die zelf geen aanmerkelijk belang in de bv hebben. Per verbonden persoon toetst de fiscus of deze persoon schulden heeft die meer bedragen dan € 500.000.

Ook het ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ lenen van uw bv wordt door de regeling bestreken. Hiermee wil de staatssecretaris voorkomen dat u of uw partner via een omweg alsnog tot het beoogde resultaat komt.

Bijvoorbeeld door met garantstelling van de bv bij de bank te lenen, terwijl u of uw partner dit op eigen kracht niet had gekund. Ook opzetjes met niet-verbonden familieleden worden hierdoor getroffen.

Dubbele heffing voorkomen

Wordt na 2023 vanwege de overschrijding van de grens van € 500.000 een fictief regulier dividend in aanmerking genomen? Dan geldt er volgens het nu voorliggende wetsvoorstel geen tegemoetkoming. Hierdoor kan dubbele heffing ontstaan.

Voorbeeld

Stel, u heeft aandelen met een waarde van € 1 miljoen en de verkrijgingsprijs is nihil. De (latente) aanmerkelijkbelangclaim op de aandelen bedraagt € 269.000 (26,9% x € 1 miljoen). U sluit in 2023 een lening bij uw bv af van € 700.000. Over € 200.000 (€ 700.000 -/- € 500.000) bent u dan € 53.800 aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd.
Ondanks deze fictieve dividenduitkering is de waarde van de aandelen nog steeds € 1 miljoen. Dit betekent dat bijvoorbeeld bij verkoop van de aandelen u € 269.000 heffing bent verschuldigd. In totaal betaalt u dus € 322.800 aan aanmerkelijkbelangheffing. Dat is € 53.800 te veel!

Dubbel
Dubbele heffing is in dit geval te voorkomen door een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aandelen met het fictieve reguliere voordeel. In dit voorbeeld bedraagt de verkrijgingsprijs € 200.000.

Voorgesteld wordt de wet in werking te laten treden per 1 januari 2023. Als peildatum geldt 31 december, waardoor het fictief reguliere voordeel in het jaar van inwerkingtreding per 31 december 2023 als inkomen uit aanmerkelijk belang in de heffing wordt betrokken.

Volgens het Belastingplan 2019 wordt het excessief bedrag vanaf 1 januari 2021 belast tegen het dan geldende box 2-tarief van 26,9%. Deze datum van inwerkingtreding biedt u als ab-houder dus tot 31 december 2023 de mogelijkheid om uw schuldenpositie terug te brengen tot ten hoogste € 500.000. Bovendien kunt u in de periode tot de inwerkingtreding rekening houden met de tariefsaanpassingen in box 2.

Heeft u meer geleend dan € 500.000 van uw bv? Dan zult u dus – bij invoering van het wetsvoorstel – aanlopen tegen een belaste fictieve dividenduitkering. Met het oog hierop kan het zinvol zijn om de schuldenpositie bij uw bv te herzien. Daarbij kunt u bijvoorbeeld denken aan:

  • het aflossen van leningen in contanten;
  • het aflossen van leningen door inbreng van vermogensbestanddelen die met de leningen zijn gefinancierd;
  • herfinanciering bij een externe financier.

Bij aflossingen van leningen door inbreng van onroerende zaken is uw bv overdrachtsbelasting verschuldigd. Uw bv kan hiervoor geen beroep meer doen op een vrijstelling.

Giften

Doet uw bv weleens een gift? Vergeet dan niet om gebruik te maken van de giftenaftrek. Een gift die wordt afgetrokken van de winst, verlaagt immers de fiscale winst. Bv’s kunnen desgewenst tot 50% van de belastbare winst aftrekbare giften doen. Hierbij geldt een maximum van € 100.000.

Giften aan culturele instellingen worden ook extra gefaciliteerd. Deze giften kunt u voor de aftrek op de winst met 50% vermenigvuldigen, tot een maximumbedrag van € 2.500.

De komende jaren gaat de maximale giftenaftrek in de inkomstenbelasting in stappen omlaag van maximaal 46,90% in 2020 naar 37,05% in 2023. Dit betekent dat het aantrekkelijker wordt om een gift te doen vanuit de bv.

Dit verdiepingsartikel is eerder verschenen in themadossier Fiscaal Rendement Winst verlagen in de IB en VPB. Professional+-abonnees kunnen dit themadossier digitaal lezen via Mijn Bibliotheek.