Meer duidelijkheid over gebruikelijkheidstoets in WKR

Onlangs deed Hof Den Haag uitspraak over de vraag of aandelenbonussen konden kwalificeren als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling. Het ging erom of de verstrekking van de aandelen gebruikelijk was of niet.

27 augustus 2020 | Door redactie

Het ging om een werkgever met een aandelenplan waarbij de leden van de groepsraad in de gelegenheid waren hun bruto bonus te gebruiken om aandelen in de onderneming te kopen. Als werknemers die hiervan gebruik hebben gemaakt, na drie jaar nog in dienst waren, kregen zij een aantal aandelen gratis toegekend. De belastingheffing over deze gratis toegekende aandelen kwam voor rekening van de werkgever. In 2012 en 2013 wees de werkgever het voordeel dat voortvloeide uit de toekenning van de gratis aandelen aan als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling. Daar was de Belastingdienst het niet mee eens en legde naheffingsaanslagen op. De rechter hield deze uiteindelijk in stand. De bonussen konden de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling (WKR) niet doorstaan. De werkgever had ze daarom niet mogen aanwijzen als eindheffingsloon.

Meer duidelijkheid voor de praktijk

De adviseurs van KPMG Meijburg & Co voerden de rechtszaak voor hun cliënt. De hofuitspraak van 11 augustus biedt volgens de adviseurs van KPMG Meijburg & Co op een paar onderdelen meer duidelijkheid voor de praktijk.

  • Naast de gebruikelijkheid is ook de omvang van de beloning die wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de WKR van belang.
  • Informatie waarover uitsluitend de Belastingdienst op basis van interne gegevens kan beschikken is onvoldoende als onderbouwing voor het vaststellen van de (on)gebruikelijkheid.
  • Ook al wordt een loonbestanddeel al jaren aan werknemers verstrekt of vergoed, dan is het daarmee nog niet gebruikelijk dat het loonbestanddeel als eindheffingsbestanddeel kan worden aangewezen.
  • Een loonbestanddeel zal eerder als gebruikelijk worden beschouwd als alle of grote groepen werknemers binnen de werkgever dit loonbestanddeel ontvangen.
  • Er is een ongelijk speelveld ontstaan tussen inhoudingsplichtigen en de Belastingdienst om de (on)gebruikelijkheid te onderbouwen. De Belastingdienst kan wettelijke bevoegdheden inzetten om externe informatie op te vragen bij andere vergelijkbare ondernemingen en hen te verplichten de vragen te beantwoorden. Deze bevoegdheid heeft een werkgever niet.

Gerechtshof Den Haag, 11 augustus 2020, ECLI (verkort): 1562