WNT gaat in 2016 voor sectornormen gelden

Vanaf 1 januari 2016 worden de beloningen voor bestuurders in de zorg, volkshuisvesting en het wetenschappelijk onderwijs verlaagd en gelijkgetrokken met de al geldende maximumnorm van de Wet normering topinkomen (WNT). Voor deze sectoren geldt nu nog een overgangsregeling.

25 november 2015 | Door redactie

De WNT regelt dat bestuurders in de (semi)publieke sector niet meer mogen verdienen dan een ministerssalaris, dat momenteel € 178.000 per jaar bedraagt. Daarnaast beperkt de wet de beloning van interim-bestuurders. Straks worden de afwijkende normen die gelden binnen de zorg, wonen en onderwijs verlaagd naar de WNT-norm. In 2016 is die gelijk aan € 179.000. 

Staffels binnen sectoren gemaximeerd

Binnen de genoemde sectoren gelden zogenoemde staffels. Afhankelijk van bepaalde instellingscriteria, zoals totale baten en aantal studenten, valt een bestuurder in het onderwijs onder een bepaalde beloningsnorm (pdf). Dit geldt ook binnen de zorg. Daarin zijn vijf klassen te onderscheiden met elk een eigen maximumbeloning, die straks ligt tussen de € 98.000 en € 179.000. Onder welke klasse een bestuurder valt, is afhankelijk van het instellingsniveau. Dit wordt bepaald aan de hand van de kennisintensiteit, complexiteit van de bedrijfsvoering en de omzet. Binnen de volkshuisvestiging geldt al een regeling voor maximumsalarissen van bestuurders. Het aantal verhuureenheden van de woningcorporatie en de grootte van de gemeente waarin zij werkzaam is, bepalen de beloning. Ook hier geldt straks een maximum van € 179.000. 

Na evaluatie volgt nieuw wetsvoorstel

Aan het einde van het jaar komt minister Plasterk van Binnenlandse Zaken met een evaluatie van de WNT, die drie jaar geleden in werking is getreden. Daarbij wordt onder andere gelet op doeltreffendheid, neveneffecten en de uitvoering van de wet, administratieve lasten bij organisaties en de wijze waarop toezicht is geregeld. Na deze evaluatie komt er een wetsvoorstel om de reikwijdte van de WNT uit te breiden naar alle werknemers binnen de (semi)publieke sector.