Kleine lettertjes WWZ: vervaltermijnen

Een werkgever of werknemer die op basis van het ontslagrecht een verzoek wil indienen bij de kantonrechter, moet niet te lang wachten met zijn verzoekschrift. Er gelden namelijk vervaltermijnen.

26 juli 2016 | Door redactie

In de Wet werk en zekerheid is voor bepaalde verzoeken een vervaltermijn opgenomen. Zo’n termijn is de periode waarin de werkgever of werknemer zijn aanvraag kan doen. Ontvangt de rechter het verzoekschrift na die periode, dan neemt hij het niet in behandeling. De termijnen staan in artikel 686a lid 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek:

‘De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt:
a. (…); b. (…); c. (…); d. (…); e. (…)’ (tool)

Vervaltermijn is drie of twee maanden

In sub a tot en met e van lid 4 komen de verschillende vervaltermijnen aan bod. Kortweg komt het erop neer dat alle verzoeken met betrekking tot de transitievergoeding een vervaltermijn van drie maanden hebben (na de dag waarop het contract eindigt). Voor overige verzoekschriften – zoals voor de aanzegvergoeding of het aanvechten van een UWV-beslissing – geldt een termijn van twee maanden. Wel verschilt per verzoek wanneer de vervaltermijn begint te lopen.

Einde vervaltermijn beëindigt mogelijkheden

Zowel werkgever als werknemer moeten de termijnen zeer goed in de gaten houden. Na het einde van de termijn is de verzoekende partij in principe kansloos. Ook een jurist kan hier niets aan doen. De vervaltermijn (tool) kan niet zoals een verjaringstermijn worden gestuit, geschorst of verlengd. Bovendien gaan ook deskundigen weleens in de fout. Zo was onlangs een advocaat van een werknemer ruim een maand te laat met zijn verzoek om een ontslag te vernietigen.

In de rubriek 'De kleine lettertjes van' behandelt Rendement een bijzondere bepaling uit een wet, besluit of regeling. In deze editie: de vervaltermijnen uit de Wet werk en zekerheid.